Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een opzichzelfstaande arbeidster wekelijks aan kost en inwoning uitgeven moet, is 7,48 mark; heeft zij een eigen kamer, dan moet zij alleen tien mark voor woning en voeding rekenen. Nu beloopt de gemiddelde wekelijksche verdienste der meest gewone arbeidsters in twintig duitsche groote steden 8,70 mark. ') Er blijven haar dus, als zij zich maar half toereikend willen voeden en niet in het eigen gezin kunnen wonen, circa 78 pf. per week over voor alle andere levensbehoeften — kleeding, bewassching enz. inbegrepen! Daarbij wordt dan nog aangenomen dat het wekelijksch inkomen het geheele jaar door gelijk blijft, terwijl feitelijk in het gunstigste geval niet op 52, maar slechts op 48 weken van geregelde verdienste gerekend kan worden. Er is echter ook een groot aantal arbeidsters die onder de acht mark, ja die slechts drie tot zes mark per week verdienen. Indien ook bij de laagste loonen aangenomen kan worden dat het meestal jeugdige arbeidsters, die vaak bij de ouders inwonen, betreft, dan blijven, zooals de uitkomsten van vele onderzoekingen bewijzen, er nog velen over die bij zulk een hongerloon alleen op zich zeiven aangewezen zijn, en er zijn nog talrijke ongelukkigen die een oude moeder, of een arm vaderloos kind mede te onderhouden hebben. Maar zelfs bij een weekloon van negen tot twaalf mark, het meest gewone loon voor duitsche arbeidsters, en een jaarlijksch inkomen van 430 tot 570 mark — dat reeds als zeer hoog beschouwd moet worden — waarbij in het eene geval 40, in het andere 170 mark voor alle overige uitgaven rest, leeft de arbeidster in onophoudelijken strijd met gebrek en schulden. Dezelfde toestanden herhalen zich overal waar de industrie, de groote veroveraar, binnengedrongen is en uit de onderworpenen slaven heeft gemaakt.

In Weenen kan een arbeidster met 4 fl. 80 kr., wanneer zij zich geen ontspanning, geen genoegens gunt, nooit ziek wordt en niemand te ondersteunen heeft, juist uitkomen. Van de arbeidende vrouwen te Weenen verdient 60 pCt. slechts 4 fl. 50 kr. en loonen van 1 fl. 80 kr. tot 3 fl. komen nog steeds vaak genoeg voor, 2) terwijl natuurlijk ook voor haar met werkeloosheid rekening gehouden moet worden. Het minste dat een parijsche arbeidster noodig heeft om van te leven is een jaarlijksch inkomen van 850 tot 1200 francs, 3) beneden een dagelijksche verdienste van 2,25 fr. ligt de diepste ellende en eerst met 4 francs begint een verzekerd bestaan voor de opzichzelf-

1) Zie E. Hirschberg, Die soziale Lage der arbeitenden Klassen in Berlin, Berlin 1897, blz. 229 en vlgg.

2) Zie Die Arbeits- und LebensverhSltnisse der Wiener Lohnarbeiterinnen. Wien 1897, passim.

3) Zie Comte d'Haussonville, Salaires et Misères de Femmes. Paris 1900, blz. 29.

Sluiten