Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men sinds vijftig jaar bij dezelfde primitieve werktuigen blijven staan en de huisindustrie heerscht hier niet alleen nog onbeperkt, zij heeft zelfs het beste vooruitzicht het fabrieksbedrijf nog geruimen tijd het onderspit te doen delven.

Om over den toestand der naaldarbeidsters helderder licht te doen schijnen, ontbreekt het wel niet aan materiaal, maar dit heeft gewoonlijk slechts de waarde van momentfotografieën uit een veldtocht voor de beoordeeling van den geheelen oorlog. Waar de strijd het heetst is, waar de wonden het zwaarst zijn, daar dringt de fotograaf niet door. Meestal hebben plotseling aan de oppervlakte tredende misstanden de ellende der confectie openbaar gemaakt; enquêtes zooals de beide Duitsche van 1886, naar aanleiding van den strijd der arbeiders tegen het voorgenomen invoerrecht op naaigaren, en in 1896 tengevolge van de werkstaking der confectiearbeiders, werden aldus ingesteld. Daarnaast verleenen een gansche reeks van afzonderlijke onderzoekingen, die aan particulier initiatief te danken zijn, een blik op de toestanden. Omvattende, zorgvuldig voorbereide enquêtes, die voornamelijk betrekking hebben op de hoogte der weekloonen en jaarlijksche inkomsten, ontbreken nochtans geheel en al. Met het opgeven der weekloonen alleen zou niet veel gewonnen zijn, daar het seizoenkarakter in geen industrie zoo beslist uitgesproken is als in de kleedingindustrie. Meestal duurt de drukke tijd slechts vijf maanden, de overige zeven zijn of een stille, of een volkomen doode tijd voor de arbeidster. Zelfs weekloonen van 15 tot 20 Mk., die buitengewoon zelden voorkomen, kunnen dus vaak slechts een kommerlijk bestaan waarborgen. In de volgende tabel heb ik getracht eenige der geconstateerde weekloonen in verband met het jaarlijksch inkomen der confectiearbeidsters bijeen te brengen.

(Zie de tabel op bladz. 308.)

Beschouwen wij deze tabel, die in de meeste gevallen jaarlijksche inkomsten beneden de 300 Mk. constateert, en bedenken wij dat een geregelde wekelijksche verdienste van 9 Mk. en een jaarlijksche van 468 Mk. nog pas het meest sober bestaan aan een opzichzelfstaande arbeidster verzekeren kan, terwijl een arbeidster uit een groote stad zelfs onder de 600 Mk. niet uitkomen kan, dan behoeven wij er niets meer aan toe te voegen om haar taal te verduidelijken. Daarbij bereikt de arbeidster deze hongerloonen slechts met inspanning van al haar krachten. In den drukken tijd zijn arbeidstijden van veertien tot achttien uren geen zeldzaamheid. Zoo arbeiden de stiksters in de Berlijnsche zweetwerkplaatsen vaak tot elf uur 's nachts en langer; ')

') Zie Hans Grandke, t. a. p., blz. 189.

Sluiten