Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwelijke dienstboden in het verderf te storten: het voorbeeld van haar meesters. Men zegt met recht dat voor zijn bediende de grootste man klein wordt; dat wil met andere woorden zeggen: geen stand kent zoo nauwkeurig de keerzijde der medaille, geen stand wordt zoo vertrouwd met de leelijke, gemeene, lage eigenschappen der menschen, werpt zulk een diepen blik in hun vaak door en door wormstekig leven, als de stand der dienstboden. En zou hij er dan niet door besmet worden? IJdelheid en pronkzucht, hoogmoed en spilzucht, lichtzinnigheid en liederlijkheid, daarnaast vaak al de huichelarij van uiterlijken glans die het innerlijk verval bedekken moet, omgeven hen als de lucht die zij inademen. Men zou een gerijpte persoonlijkheid moeten zijn, die zedelijk houvast verkregen heeft, om dezen dampkring rein te verlaten, niet echter een jong meisje dat uit het donker komt en verblind wordt door al den verleidelijken schijn. „De dienstbode is geen normaal wezen meer," zegt Célestine, ') „.... zij behoort niet meer tot het volk waaruit zij voorkomt en niet tot de bourgeoisie in wier midden

zij leeft en waartoe zij overhelt Den rechtvaardigheidszin en de

argelooze kracht van het volk heeft zij verloren; de neigingen en ondeugden der bourgeoisie heeft zij zich eigengemaakt, zonder de

mogelijkheid te bezitten om die te bevredigen Met bevlekte ziel

gaat zij door deze fatsoenlijke burgerlijke wereld en door niets dan door het feit dat zij den doodelijken dwalm die uit dit moeras opstijgt, ingeademd heeft, verliest zij de zekerheid van haren geest, tot zij volkomen afstand doet van haar persoonlijkheid." Hoezeer laken de brave burgervrouwen de pronkzucht van haar dienstmeisjes, haar pogingen om niet voor haar meesteressen onder te doen; alsof zij zeiven niet vaak genoeg door haar weelde en haar zucht om de rijke buurvrouw zoo mogelijk in kleerenpracht nog te overtreffen, den ondergang van het gezin helpen tot stand brengen. Hoe komen zij er toe van haar arm dienstmeisje meer bescheidenheid en tevredenheid, kortom een beter karakter te verlangen dan van zich zeiven? Wanneer mij iets in verbazing brengt, dan zijn het niet de fouten, maar de vele deugden onzer dienstmeisjes. Zij zijn bedroefder aan ons ziekbed dan wij aan het hare; zij nemen vaak inniger deel in ons verdriet dan wij in wat haar drukt; zij blijven, wanneer zij ons huis verlaten hebben, vaak met meer belangstelling ons leven volgen dan wij het hare; zij passen onze kinderen vaak met groote, bijna moederlijke zorgvuldigheid op. 2) In plaats dat hun babbelzucht toorn verwekt, moesten de meesters

•) Zie Octave Mirbeau, t. a. p., blz. 212 en vlgg.

2) Zie G. Schnapper-Arndt. Die Dienstbotenfrage. Internationaler Kongress für Frauenwerke und Frauenbestrebungen in Berlin, 19—26 Sept. 1896. Berlin 1897, blz. 405.

Sluiten