Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gestadig immigreeren van laag staande volkselementen, die de taal van het land niet kennen, de slechtste arbeidsvoorwaarden kalm aanvaarden, en waaruit zich een groot deel der vrouwelijke arbeiders recruteert, is de voornaamste oorzaak hiervan.

Het middel van zelfhulp door vakorganisatie schijnt derhalve bij de vrouwen haast volslagen tekort geschoten te zijn. Daar dit overal zoo is, moeten de oorzaken hiervoor ook overal dezelfde zijn. Wij hebben die in de eerste plaats in den tegenstand der mannen en in de jeugd der vakbeweging gevonden. Een bewijs hiervoor is het naar verhouding hoog percentage der engelsche georganiseerde textielarbeidsters: hier was de tegenstand der mannen reeds in het begin der 19de eeuw gebroken; haast honderd jaar is diensvolgens ook de beweging hier oud. Maar deze oorzaken kunnen onmogelijk de eenige zijn, reeds wijl het late ontwaken van belangstelling in de vakbeweging van den kant der vrouwen zelf motiveering vereischt. Een blik op de vakbeweging der mannen strekt reeds tot opheldering: deels is zij een moderne voortzetting der oude gezellenbonden en dergelijke vereenigingen, waaraan vrouwen haast nooit deelnamen, deels is zij ontstaan uit de behoeften der in de grootindustrie saamgedrongen arbeiders. Hoe sterk nu ook het vooruitdringen der vrouwen in de grootindustrie moge zijn, zij staan verreweg ten achter bij de mannen en nemen slechts in weinig industrieën een overheerschende plaats in. Waar zij het doen, zooals in de textielindustrie, in de fransche tabaksindustrie, die tengevolge van het staatsmonopolie de huisindustrie op dit gebied bijna geheel verdrongen heeft, zijn zij, zooals wij gezien hebben, het talrijkst in vakvereenigingen georganiseerd. En het slechtst staat het met de organisatie waar de huisindustrie overheerscht, bijv. in alle bekleedingsbedrijven, en waar de arbeidster op zichzelf werkt, zooals in den huiselijken dienst en gedeeltelijk bij den landbouw. Niet alleen dat de arbeidster hier afgesloten is van den invloed van sociale bewegingen, dat zij als thuisarbeidster of als dienstmeisje moeilijk tot het bewustzijn van solidaire vereeniging met haar arbeidsgenooten komt, zij leeft ook — en dat is een moment waarop niet genoeg de nadruk gelegd kan worden — in haast volkomen afsluiting van den mannelijken arbeider, de voornaamste overbrenger van inzicht in politiek en vakbeweging. Hoe meer nu de neiging tot een scheiding der geslachten in den industriearbeid optreedt, des te meer gewicht zal deze omstandigheid in de schaal leggen, want tengevolge van dit standpunt der vrouw in het economisch en sociaal leven, is zij op verre na niet zoo voor organisatie vatbaar als de man. De arbeid is voor hem het eenige beroep; de vrouw is wel gedwongen met hem ademloos den

Sluiten