Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handhaven zijn. Maar zelfs onder de arbeiders zijn er nog genoeg, die wel de nadeelen der huisindustrie erkennen, maar niettemin voor ingrijpende maatregelen terugdeinzen, daar zij hierdoor het gezin en de vrijheid van het individu meenen aan te tasten. Het is ook buiten twijfel dat bij den door mij voorgeslagen weg van wetgeving bij alle omzichtigheid hardheden niet zullen uitblijven. Maar waar ter wereld werd de vooruitgang gemakkelijk gekocht? Bij alle arbeidswetten zijn er menschen geweest die zich in hun vrijheid beperkt, in hun verdiensten benadeeld zagen. De geleidelijke opzuiging van het handwerk door de fabriek heeft zeker zware wonden geslagen en slaat die tegenwoordig nog, voor de huisindustrie zal juist hetzelfde gelden De sociale hervormer echter en de wetgever mogen naar het leed van enkelen hun handelingen niet richten, zij hebben veeleer de taak, -de ontwikkelingstendenzen na te speuren en die tendenzen te bevorderen waardoor de menschheid in 't algemeen tot hooger bestaansvormen opgeheven zal worden. De huisindustrie houdt haar op den trap van lichamelijke en geestelijke ellende, zij verhindert den vooruitgang tot beter sociale verhoudingen, daarom moet ook hier het sentimenteele

medelijden voor het kalme inzicht en de ver-ziende menschenliefde wijken.

Een stiefkind der arbeidswetgeving waren gedurende langen tijd ook de handelsbedienden. En zij zeiven, die het onderscheid tusschen zich en de fabrieksarbeiders steeds scherp belijnden, wenschten ook op dit gebied geen gelijkstelling met hen. Eerst toen de in 1842 gestichte engelsche vereeniging tot het verkrijgen van vervroegde winkelsluiting na bijna vijftigjarige vergeefsche pogingen inzag dat langs den weg van zelfhulp niets te bereiken viel, trad zij voor wettelijke maatregelen in het krijt. Terzelfder tijd stelden ook de vereenigingen van handelsbedienden in Duitschland bepaalde eischen aan de wetgeving. Het ontstaan der grootbedrijven op het gebied van den handel had tot deze ontwikkeling den grond gelegd, want het vervormde langzamerhand de massa der jonge kooplieden, die hun leer- en arbeidstijd steeds slechts als voorbereiding tot eigen zelfstandigheid beschouwden, in loonarbeiders, die voor hun leven in afhankelijke positie van den ondernemer blijven en daarom een wettelijke bescherming noodig hebben. De eerste schrede hiertoe was de wettelijke vaststelling van een wekelijkschen maximum-arbeidstijd van 74 uren voor winkelbedienden beneden de 18 jaren in Engeland, die echter gedurende meer dan 10 jaren slechts tot opvulling van het wetboek diende, daar geen toezicht op de uitvoering aanwezig was. De londensche graafschapsraad ging eerst voor enkele jaren over tot het aanstellen van

Sluiten