Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door onbetaalde dienstprestatie van hem vorderen — een nieuwe vorm van het middeneeuwsch pandelingschap! Op grond van het burgerlijk wetboek en het wetboek van koophandel voor het duitsche rijk kan de dienstverhouding door elk van beide partijen, zonder met den opzeggingstermijn rekening te houden, opgezegd worden, wanneer daarvoor een gewichtige reden is; den dienstbode komt ditzelfde recht volgens de duitsche dienstbodenwetten slechts dan toe, „wanneer hij mishandeld wordt met gevaar voor lijf en leven", wanneer de patroon hem „met buitensporige en ongewone hardheid behandelt", hem „tot onwettige en onzedelijke handelingen verleidt," of hem „het kostgeld niet geeft of den kost weigert". De patroon daarentegen kan hem op straat zetten: wanneer hij hem „beleedigt", „oneenigheid in huis verwekt", „voortdurend ongehoorzaam en weerspannig is", „zich aan ontvreemding schuldig maakt", „zonder voorkennis en verlof 's nachts uit het huis blijft", „voor zijn plezier de deur uitgaat, na den toegestanen tijd wegblijft, moedwillig den dienst verwaarloost", ja zelfs „wanneer hem de geschiktheid ontbreekt, die hij bij het verhuren voorgaf te bezitten", d. w. z. den werkgever kan het nimmer aan een reden ontbreken, wanneer hij den dienstbode zonder schadeloosstelling kwijt wil zijn, terwijl de dienstbode eerst lichamelijke of zedelijke mishandelingen moet aantoonen om zonder zich te houden aan den opzeggingstermijn den dienst te kunnen opzeggen. De industriëele arbeider kan bij ondragelijke arbeidsvoorwaarden het werk ook zonder opzegging verlaten, zonder dat hij zich daardoor onteerende straffen op den hals haalt; de contractbreuk bij het dienstpersoneel echter wordt strafrechtelijk vervolgt en ieder dienstmeisje dat wegloopt kan door politiebeambten in uniform, als een misdadiger, weer in de oude betrekking teruggebracht worden. Om iederen weg tot zelfhulp voorgoed af te snijden, staat het dienstpersoneel, — en onder deze benaming is in Duitschland en Oostenrijk niet alleen het huispersoneel maar ook het landbouwpersoneel begrepen,— ook ten opzichte van het aan ieder staatsburger grondwettelijk gewaarborgd vrije recht van vereeniging en vergadering onder uitzonderingswetten. De thans nog geldende wet van 1854 bepaalt dat de dienstbode met gevangenisstraf tot een jaar gestraft kan worden, wanneer hij met het oogmerk van verkrijging van beter arbeidsvoorwaarden het werk staakt, daartoe met anderen samenspant of hen daartoe aanzet.

Maar niet alleen op rechtstreeksche wijze zijn de dienstbodenwetten in tegenspraak met de algemeene hedendaagsche regeling der verhouding tusschen ondernemers en bezoldigden. Een gansche reeks van gebodsen verbodsbepalingen beperken nog buitendien elke vrijheid van beweging der dienstboden, 7onder dat zij als tegenwicht ook maar

Sluiten