Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier eerste schuchtere begin in het duitsche vereenigingswezen te vinden is, is de weduwen- en weezenverzekering. Terwijl op grond der ziekteverzekering den achtergeblevenen slechts een begrafenisgeld toekomt en de invaliedenverzekering tot uitkeering van de helft der voor den gestorven verzekerde betaalde gelden aan de weduwe of aan de weezen verplicht is, — een som die in het beste geval 200—300 Mk. bedraagt, — verstrekt de ongevallenverzekering hen een rente tot 60 pCt. van het arbeidsloon van den overledene, een uitkeering waarvan de billijkheid te meer erkend moet worden, daar zij door mogelijke beroepsgeschiktheid van de weduwe niet verminderd kan worden. Maar de kring van hen, die in het genot der rente komen, is uiterst klein. De groote massa der arbeidersweduwen en -weezen blijft zonder verderen steun en heeft, na den dood van den voomaamsten kostwinner, onder de moeilijkste omstandigheden voor zich zeiven te zorgen. Tot de noodzakelijkste uitbreiding der arbeidersverzekering zou derhalve een algemeene weduwen- en weezenverzekering behooren, die door algemeene belastingen gedekt zou moeten worden. Het schijnt mij ten minste een natuurlijke eisch te zijn, dat de gezamenlijke maatschappij overal heeft op te treden, waar de belangen der kinderen, op wie de toekomst van den staat berust, op het spel staan. ')

Ziekte en ongeval, ongeschiktheid tot werken en ouderdom zijn echter niet de eenige duistere machten die het door lage loonen en slechte arbeidsvoorwaarden reeds genoeg bedreigde leven der arbeidster in gevaar brengen. Want zelfs op de tijden van loonenden arbeid valt verduisterend de schaduw dier andere macht in wier ban zij steeds weer geraakt, de werkeloosheid. Haar geweldige macht, haar verschrikking is het eerst door de vakvereenigingen ingezien; door ondersteuning der werkelooze leden, door arbeidsbeurzen trachten zij er aan tegemoet te komen. Voornamelijk in Frankrijk zijn het het verbond der vakvereenigingen, — de Confédération générale du travail, — en het verbond der arbeidsbeurzen, — de Fédération des bourses du travail, — die zich met de organisatie van het arbeidsbeurswezen verdienstelijk gemaakt hebben. Het inzicht echter dat de arbeidsbeurs een openbare aangelegenheid van het hoogste gewicht is en derhalve door staat en gemeenten geregeld moet worden, heeft eerst sedert kort ingang gevonden. Het eerst waren het zwitsersche gemeenten die door het stichten van gemeentelijke arbeidsbeurzen het goede voorbeeld gaven, toen volgden

1) Zie Ernst Lange, Die positive Weiterentwicklung der deutschen Arbeiterversicherungsgesetzgebung, in Brauns Archiv, 5e deel, Berlijn 1892, blz. 383 en vlgg.; en H. von Frankenberg, Die Versorgung der Arbeiterwitwen und -Waisen in Deutschland, in hetzelfde Archiv, 10e deel, Berlijn 1897, blz. 466 en vlgg.

Sluiten