Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onze; doch de, in die richting afgelegde weg is nog te klein, dan dat er, ten minste in ons oog, van merkbare verandering sprake kan zijn.

Wij dragen, evenmin als de steller van het rapport, (de latere Directeur der Burg. Openb. Werken. H. de Bruyn), den Javaan een minder goed hart toe om reden hij weinig behoeften kent, van de hand in de tand leeft en dikwijls te weinig zijne belangen begrijpt; zooals wijlen de Bruyn terecht opmerkt, er staan genoeg goede eigenschappen tegenover, om genegenheid voor den inlander te doen op vatten.

Die genegenheid mag echter den blik niet in die mate benevelen, dat men den inlander gaat behandelen als had hij geen eigenaardigheden, die hem in zijn denkwijze tot tegenvoeter van den Europeaan stempelen.

Wat het rapport verder aangaat, het is één voortdurende typeering van den inlander eenerzijds en zijn inlandsche en Europeesche bestuurders anderzijds.

Men moet in Indië geweest zijn en aldaar rondgekeken hebben om de bizonderheden naar behooren te kunnen savoureeren.

Men zou hem nog heden ten dage op Java tegen het lijf kunnen loopen, dien Regent, die, met de vrees als raadgever, niet aarzelde der bevolking zware lasten op te leggen en dat geheel in afwijking van de wenschen van zijn rechtstreekschen chef, toen hij dacht daarmede een in het oog der Regeering welgevallig werk te doen. . ..; dien Resident, die, moede van het vechten tegen de Bierkade, het met zijn beginselen maar op een accoordje gooide.

Wij kunnen ons verplaatsen in den gemoedstoestand

Sluiten