Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\an den Minister, toen deze onwraakbare getuigenissen hem gewerden. Naar mate de hoop levendig gehouden werd, dat het nieuwe beginsel doende was baan te breken, naar die mate moet de ontgoocheling geweest zijn, toen bleek dat het schoonschijnende uit de ofïficieele rapporten in werkelijkheid niet bestond. De teleurstelling, die de Minister ondervond, moet verwant geweest zijn aan de bittere ontnuchtering van een ouderenpaar, dat zijn kind, van hetwelk gedurende diens afwezigheid steeds de beste berichten omtrent lichamelijke vorderingen ingekomen zijn, terugziet als een lamlendige, die slechts door dwangbeugels en met behulp van krukken in staande houding kan blijven.

\ an die bitterheid getuigde dan ook 's Ministers redevoering van 13 December 1859 in de Tweede Kamer, waarin o. a. die Staatsman beweerde „ Vrije arbeid is, ook mijns inziens, schijn".

Xiet minder groot, doch met eene andere uitwerking, was de indruk, die door de onthullingen op de voorstanders van vrijen arbeid „quand même" gemaakt werd.

Toen hunne zwakke pogingen gefaald hadden om de waarheid van de verklaringen van de Bruijn in twijfel te doen trekken, keerde zich hun misnoegen tegen den Minister, wien verweten werd, ons inzien geheel ten onrechte, dat hij als Gouverneur-Generaal zelf de rapporten ingezonden had, waarop de gunstige meening omtrent vrijen aibeid zich had kunnen ontwikkelen. Op hoogen toon werd den Minister gevraagd, „wat is nu de waarheid , vindt men haar in de officieele bescheiden, ja of neen? Zijn wij jaren lang — en ook gij — aan misleiding blootgesteld geweest of schuilt er soms een addertje onder het gras; „Zouden wellicht de politieke gebeurtenissen

Sluiten