Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der gedwongen diensten, die uitstekend gekenschetst had kunnen worden door den titel „Onteigening van den arbeid" is nimmer gegeven; en in de 3de herziening der heerendiensten in 1875 (Bijblad 2879) vindt men van de gedwongen diensten, die gevorderd zouden kunnen worden, als er voor zekere doeleinden geen vrije arbeiders te krijgen zouden zijn, geen melding meer gemaakt.

Met de stille trom zijn ze vertrokken; het Koloniale Verslag van 1876 dat van de nieuwe herziening een eenigszins uitgebreid overzicht geeft, acht het niet de moeite waard van het uitlichten der desbetreffende bepalingen eenig'e notitie te nemen. Mr. J. de Louter vindt

o o

het weglaten zoo iets onbeteekenends, dat hij in zijn

o

„Handleiding tot de kennis van het Staats- en Administratief Recht voor Ned.-Indië", omtrent de herzieningvan 1875 niets anders weet te zeggen, dat ze „slechts op enkele punten van de voorgaande afweek".

Toch releveert hij eenige bladzijden verder het feit, dat de bevoegdheid van den Gouverneur-Oeneraal „reeds lang" vervallen is, om in geval geen vrije arbeiders te krijgen zijn, de werken, die niet behooren tot de in de heerendienstregeling opgesomde toch in heerendienst (lees gedwongen dienst) te doen uitvoeren.

Naar het voorkomt, had de eminente schrijver van genoemd standaardwerk bij gelegenheid van de vervallenverklaring dezer hoogst belangrijke bevoegdheid niet mogen nalaten ons zijn oordeel daarover kenbaar te maken.

Het o-old hier toch niet meer en niet minder dan de erkenning van het beginsel, dat in den veivolge op Java, de „vrije arbeid de alleenheerschappij zou voeien ,

Sluiten