Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en persona grata bij den toenmaligen Gouverneur-Generaal O. van Rees.

De heer Van Delden opperde des administrateurs bezwaren, welke hij tot de zijne gemaakt had, bij den Landvoogd, die ze als redelijk denkend mensch billijkte, doch er weinig op wist.

Nu het geval er eenmaal toe lag, moest het werk in vrijen arbeid uitgevoerd en aan gebruik van heerendienstplichtigen niet meer gedacht worden.

Zijne Excellentie kreeg echter een goeden inval. Er zou eene missive gericht worden tot den Resident van Cheribon, van het gewest, waarin de besproken werken gelegen waren, in welk schrijven de hoop en het vertrouwen werden uitgesproken, dat door invloed van den Resident, ook zonder buitensporige en ongewenschte verhooging van de loonen, een voldoend aantal werkkrachten bij de Doetamatiewerken zouden worden verkregen. Zijne Excellentie had de overtuiging, schreef verder ongeveer de Gouvernements-Secretaris, dat, mits de bevolking gewezen werd op het groote belang dat voor haar in een spoedig welslagen der werken lag, eene medewerking in den zin als van haar verlangd werd, niet kon uitblijven.

Buitenzorg kon nu meteen eens proefondervindelijk onderzoeken of het gediend werd, door goede verstaanders, die als zoodanig slechts een half woord noodig hadden.

De Resident scheen het in het goede verstaan nog niet tot magister gebracht te hebben, want Z.H.Ed.Gestr. zat duchtig* met de missive verlegen.

Invloed op de bevolking? Wijzen op het

groote belang? Hij, als Resident, kon toch in de

Sluiten