Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne Einleitung III, 2, 1814; Hengstenberg in E. K. 1866, S. 1089.

De meesten evenwel beschouwen als auteur van onzen brief Jacobus, den broeder des Heeren, het bekende hoofd der Jeruzalemsche gemeente (Hand. 12:17, 15:13—21, 21:18, 1 Cor. 15:7, Gal. 1:19, 2:9 en 12; vgl. ook Hegesippus bij Eusebius, H. E. II, 23).

Onder de voorstanders der traditioneele opvatting zijn nu twee groote groepen te onderscheiden, waarvan de eene den brief aan het begin van den apostolischen tijd, de andere aan het einde daarvan plaatst.

a. De Jacobusbrief een Joodsch-Christelijk document uit den voorpaulinischen tijd.

Als zoodanig wordt de brief opgevat door Michaelis (Introd. in ep. Jac. 1722; Einl. in die göttl. Schr. des N. B 1 II, 1788, S. 1420 ff), Nösselt (Opuscul. ad interpret. sacrarum scripturarum, II, 1787, Nr. 12: Coniecturae ad historiam catholicae Jacobi epistolae, S. 297— 332), Eichhorn (Einl. in das N. T. III2, 1814, S. 590 ff), Schneckenburger (Beitrage zur Einl. in das N. T., 1832, S. 196 ff, Annotatio ad epist. Jacobi perpetua cum brevi tractatione isagogica, Stuttgardiae 1832, S. 141 ff), Neander (Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche durch die Apostel \ 1832; 4e Aufl. 1847 II, S. 564), Theile (Comment. 1833), Thiersch (Versuch zur Herstellung des historischen Standpunktes fiir die Kritik der neutest. Schriften 1845, S. 361, vgl. S. 431 ff; Die Kirche im apost. Zeitalter und die Entstehung der neutest. Schriften-, 1858, S. 108 ff), Pfeiffer (Theol.

Sluiten