Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd der Jeruzalemsche gemeente. Maar nu komt hij voor deze moeilijke vraag te staan: hoe kwam de schrijver van den brief — of wel, de persoon, die aan den brief het opschrift heeft gegeven — op den inval »ein Schriftstiick, das angeblich einen so völlig anderen Geist atmet als den, welchen jener beriihmte Jakobus gehabt haben soll, auf eben diesen Jakobus zurlickzuführen«? (S. 48). Het is toch maar eene jammerlijke uitvlucht, wanneer Grafe zegt, dat de streng zedelijke geest, die uit den brief ons tegenkomt, eene zekere mate van overeenkomst vertoont met dien van den beroemden Jacobus. »Einen in diesem Sinne ihm ver wandten Geist hatten doch auch noch andere Manner des Urchristentums. Warum nahm man nicht den Namen eines Apostels, der doch noch so ganz anders gewirkt hatte?» (t. a. p. S. 48). En zelfs daarmee zijn wij nog niet aan het einde onzer vragen, want, ook al koos men dan om onbegrijpelijke redenen den naam van Jacobus, waarom qualificeerde men hem niet nauwkeuriger ? Waarom niet precies aangeduid, welke Jacobus bedoeld werd ? De echte Jacobus behoefde dat natuurlijk niet opzettelijk te doen; de lezers wisten immers van wien de brief kwam. Maar geheel anders was het met de kerk der tweede eeuw. Hoe kon zij weten welke Jacobus bedoeld was ? Dat de schrijver, gelijk Grafe beweert, door een gevoel van piëteit en vereering verhinderd werd zich als broeder des Heeren kenbaar te maken, is wederom eene uitvlucht. In dat geval had hij toch wel eenen anderen weg kunnen inslaan om duidelijk te maken, dat onder Jacobus, den schrijver van onzen brief het beroemde hoofd der

Sluiten