Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De arme Christenen hebben hunne eigen plaats van samenkomst, maar soms verschijnt er ook een ongeloovige (2 : 2 en 3). Zij hebben ook hunne eigen presbyters (5 : 14). Uit een religieus oogpunt staan zij dus op zichzelf, maar uit een sociaal oogpunt zijn zij nog zeer nauw aan de ongeloovige volksgenooten verbonden. In hunnen dienst moeten zij hun brood verdienen (5:4); de rijken hebben zelfs nog zooveel macht over hen, dat zij hen voor de rechtbanken kunnen brengen en op allerlei wijze onderdrukken (2:6, vgl. Hand. 22:4 en 5). Van Heidensche Christenen, die met de lezers zouden hebben saamgewoond, vinden wij geen spoor. Zij kunnen, althans in groote mate, nog niet bestaan hebben, want dan hadden de Joodsche Christenen zich wel nauw met hen verbonden, en het noodzakelijke gevolg daarvan zou geweest zijn, dat zij zich zouden hebben los gemaakt van de Joodsche heerschappij. Wie nu geneigd mocht zijn met Jülicher en Von Soden te zeggen, dat er geen woord in den brief te vinden is, dat ons wijst op lezers, die vroeger Joden waren, die mag wèl bedenken, dat Spitta heeft trachten aan te toonen, dat elk woord in den brief wijst op Joodsche lezers.

Ook gaat het niet aan om te zeggen, dat er vóór Paulus niet zulke Joodsch-Christelijke kringen kunnen bestaan hebben, want in het boek der Handelingen vinden wij er melding van gemaakt (9: 2, 22 : 5, 26: 11). Dat zij ook nog gedurende de jaren 45—50 bestaan hebben, wordt niet onmogelijk gemaakt door de historische fantasie, volgens welke de groote Heiden-missie drie jaren na Paulus' bekeering begonnen is (Von Soden). Wanneer men het apostelconvent plaatst + 50, dan

Sluiten