Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vandaar, dat hij ook boven zijnen commentaar schreef: »In eam, quae divo Jacobo inscribitur, commentarii«. Ook ontkent Cajetanus, dat in C. 5 sprake zou zijn van het Sacramentum unctionis extremae. Hier wordt alleen gedoeld op de zalving, welke Christus zelf volgens het evangelie zal hebben aangewend. ')

Maar vooral hebben wij hier te letten op het krasse oordeel, door Luther over onzen brief uitgesproken.

Wij mogen hier beginnen met de opmerking, dat de bezwaren van Luther meer van dogmatischen dan van critischen aard zijn. Het hoofdbezwaar is voor hem, dat de rechtvaardigingsleer van Jacobus niet in overeenstemming te brengen is met die van Paulus.2)

De eerste gelegenheid om zich in dezen duidelijk uit te spreken, werd Luther geboden door de Leipziger disputatie van 1519; bij welke gelegenheid hem Eek de rechtvaardigingsleer van Jacobus voorlegde.

Maar vooral is hier van belang wat Luther gezegd heeft in zijne voorrede op den brief van Jacobus (152):!)

Wij lezen daarin o. a.: «Dezen brief van St. Jacobus,

') R. Simon (Hist. cr. du texte du Nouv. Test. p. 190a) noemt Cajetanus' oordeel „foible et peu sensée" en veroordeelt scherp de critiek van den kardinaal. In zijn tijd vond Cajetanus reeds tegenspraak bij zijn ordegenoot Ambrosius Catharinus.

3) Zahn (Einl. S. 83^ spreekt in dit verband van „eine ebenso begreifliche als beklagenswerte Ungerechtigkeit des Urteils".

Spitta evenwel oordeelt anders. Hij meent, dat Luther als bij intuïtie de waarheid gezien heeft. (Zur Gesch. und Litter. des Urchr. 1896, II S. 239).

*) Vgl G. Kawerau, „Die Schicksale des fakobusbriefes im 16 Jahrhundert, in Luthardts Zeitschrift ftlr kirchliche Wissenschaft und kirchliches Leben X. (1889)."

Sluiten