Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de echtheid geldt het >argumentum a testimonio antiquitatis sumptum,« — bedoeld wordt het bericht van Eusebius. Daarna komen ter sprake de overige argumenten: ab analogia doctrinae apostolicae non mediocriter aberrat — rechtvaardigingsleer — Jacobus spreekt van eene wet der vrijheid — hij spreekt evenwel niet van Christus en zijn werk — hij citeert woorden van Petrus en Paulus — hij noemt zich niet apostel. Het oordeel over den brief wordt dan in deze woorden samengevat: »Non igitur est absimile vero eam epistolam a quodam discipulo apostolorum sub finem huius (sc. primi) seculi aut inferiori tempore scriptam esse.«

Hoezeer Luther s dogmatische critiek ook in den nieuweren tijd nog nawerkt, kan men opmaken uit de werken van Strobel (Z f. d. gesamte luther. Theol. u. Kirche von Rudelbach u. Guericke, 1857, 1860, 1869, 1871), Delitzsch (Komment. zum Brief an die Hebriier, 1857) en Kahnis (Die luther. Dogmatik I, 1861).

b. De nieuwere historisch-critische opvatting van den briej als van een Joodsch-Christelijk geschrijt van den na-apostolischen tijd, of als van een product van de wordende Katholieke kerk.

De echtheid van den brief is bestreden door Schleiermacher (Samtliche Werke, 1. Abt. Zur Theologie, Berlin 1845, VIII: Einleitung ins N. T., herausgegeben von Wokle, S. 417 ff.), De Wette (Einleitung1, 1826, S. 306), Kern (Tiib. Z. f. Theol. 1835, 2 Hft, S. 3—132), Baur (Theol. Jahrb. von Baur u. Zeiler X, 1851, S.

Sluiten