Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

und volkstiimlichen Frömmigkeit gegen eine in den Kreisen der Besilz — und Wissensaristokratie einreissende Verweltlichung des Christentums, ein altkirchliches Vorspiel zu spateren ahnlichen Erscheinungen, wie etwa die Waldenser und Minoriten sie darstellen» (S. 539). Al kan de schrijver van den Jacobusbrief van Joodsche afkomst geweest zijn, men heeft daarom nog niet het recht zijn Christendom Joodsch-Christelijk te noemen in tegenstelling met Heidensch-Christelijk. De brief is veeleer een getuige van het practische Katholicisme, »wie er sich aus dem hellenistischen Heidenchristentum durch Abschwachung oder Ausscheidung der paulinischen Dogmen besonders in der rümischen Kirche wahrend des zweiten Jahrhunderts gebildet hat« (S. 553). Men kan den Jacobusbrief niet plaatsen in den tijd van Paulus' werkzaamheid, want juist van die kwesties, waarmee Paulus zich bezighield : de voortdurende geldigheid van de Mozaïsche wet, de besnijdenis, de sabbatsviering enz. vindt men in onzen brief geen spoor. Maar omdat men hem nu niet kan plaatsen in Paulus' tijd, daarom heeft men nog niet het recht hem voorpaulinisch te noemen, 't Eene is zoo onmogelijk als het andere en het blijft alleen nog maar de vraag, hoever wij met den brief in den na-apostolischen tijd hebben

!) Pfleiderer noemt de onderstelling, dat de Grieksch schrijvende auteur van onzen brief, die bovendien met de Hellenistische litteratuur goed op de hoogte moet zijn geweest, de broeder des Heeren zou zijn, „ein aramaisch redender Galilaer und engher/iger Gesetzes-

eiferer eine ganz willkürliche Erdichtung der kirchlichen

Tradition, zu der dieser Brief selbst gar keinen Anlass gibt, da der Verfasser sich nur .Jakobus Knecht Gottes und Jesu Christi" nennt" (S. 552, Anm. 2).

Sluiten