Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o°. Misschien zijn er in onzen brief niet alleen Esseensche, maar zelfs Orfisch-Pvthagoreïsche elementen.

Maar dit is zeer onzeker en doet hier weinig ter zake.

9°. Ook de vraag naar de lezers van den brief is alleen goed op te lossen, wanneer men aanneemt, dat de brief laat ontstaan is. Het merkwaardigste van den brief is zeker wel het opschrift, dat volstrekt niet past bij den inhoud. Letterlijk opgevat, zou de brief gericht moeten zijn aan Joden, maar dit strijdt met 2:1, 5 : 1—7 en 11, waar wij te denken hebben aan Christenen. Moeten wij nu misschien aan Christenen denken, die van geboorte Joden waren? Inderdaad schijnt hier veel voor te zijn en wordt deze opvatting door tal van geleerden verdedigd. Dan zou dus de brief bestemd zijn voor de Joodsche-Christenen buiten Palestina. «Diess ist freilich nur denkbar unter der Voraussetzung, dass zur Zeit unseres Briefes das Christenthum von Palastina erst in die nachste Umgebung vorgedrungen war. Denn nur so lange konnte er ohne Schwierigkeit einer solchen Adresse genügen. Eben darum findet aber auch die Hypothese besonders da Beifall, wo man sich bestrebt, den Brief in eine Zeit zurückzudatiren, welche noch von der paulinischen Debatte unberührt war, ja womöglich vor die Entwickelung der von Antiochia ausgehenden

„dood" geloof, hangt nauw samen met de „Ermattung und Erschlaffung der gleichzeitigen Christenheit." Vol instemming citeert Holtzm. deze woorden van Klopper: „Das totale Manco christlicher Gesinnung und Lebensart soll bedeckt werden durch das welke Feigenblatt eines leeren Verstandesglaubens" (Einl. S. 334). Wat Jacobus tegenover het zgn. „doode" geloof stelt, komt overeen met de katholieke formule mart; zat ayaKv.

Sluiten