Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze dateering verdient ook aanbeveling hierom, »dass der Verfasser sich nicht vor der paulinischen Formel beugt und dass die hyperpaulinische Haresie ihm nicht bekannt zu sein scheint» (S 487).

De Jacobusbrief is niet, wat hij voorgeeft te zijn, een »brief*. Alleen het eerste vers geeft aan het geschrift het karakter van een brief. Overigens gelijkt hij het meest op wat 2 Clemens is, een homilie. >) Maar terwijl nu 2 Clemens eene tamelijk goed geordende prediking is, missen wij dit in onzen brief juist geheel. Deze is veeleer »eine formlose und bunte Sammlung von Didaskalieen, Trostreden, Prophetieen, Strafpredigten u. s. w., die am Schluss in einige praktisch-kirchliche (an die letzten Bestimmungen der Didache erinnernde) Ermahnungen ausmündet.» Ook leert men uit den brief volstrekt niet kennen den toestand van de Christelijke gemeente(n), waaraan hij gericht is. »Kaleidoskopartig wechseln die Bilder: bald hat man es mit Einzelnen zu thun, bald mit der Gemeinde, bald glaubt man inmitten einer specifisch verweltlichten und zer klüfteten Kirche zu stehen, bald werden Mahnungen gegeben, die nur gegenüber sehr geförderten Christen einen Sinn haben« (t. a p. S. 487). De brief draagt over 't geheel een zeer paradoxaal karakter. Men denke aan de nuQua/iol van 1 : 2, den TTiiQaafio; van 1:12, en het TtnQa^fa»ai van 1:13 v.v. Een logische samenhang ontbreekt bijna overal. Paradoxaal zijn verder ook de wijze

!) Harnack wijst op de in beide geschriften voorkomende „Anrede", „atóyoi" (2 Clem. 8 maal, Jac. 4 maal), resp. „a&lyoe mu" (2 Clem. 3 maal, Jac. 7 maal), resp. „AIjm uvj xyzimoi" (Jac. 3 maal), resp. zat (2 Clem. 2 maal).

Sluiten