Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i°. Onze brief verheft zich in geen enkel opzicht boven de voorchristelijke, Hellenistische litteratuur ;

z". Zijne verwantschap met de Oud-Christelijke litteratuur is een gevolg, deels van beider afhankelijkheid van het voorchristelijke denken, deels van de afhankelijkheid der Christelijke auteurs van hem.

Daarop gaat Spitta over tot zijne eigenlijke taak, de verklaring van den brief; een commentaar die uitmunt, door het zeer omvangrijke materiaal uit Joodsche geschriften, dat hier verwerkt is. Bijna geen zin, of Spitta weet er een of meer parallellen voor aan te halen uit deze voorchristelijke Joodsche litteratuur.

Wanneer nu echter ter sprake komt »Der Jakobusbrief und die altchristliche Litteratur«, dan schijnt Spitta plotseling niet meer zoo begaafd te zijn in het vinden van punten van overeenkomst. Allereerst komen de synoptici ter sprake. Zijn de meeste critici van oordeel, dat geen N. T.ische brief zooveel punten van overeenkomst heeft met Jezus' leer, inzonderheid met de bergrede als juist de Jacobusbrief, volgens Spitta bestaat er geen enkele reden om te spreken van eene afhankelijkheid van Jacobus ten opzichte van de synoptici. Wat betreft de merkwaardige overeenkomst tusschen Jac. 5:12 en Matth. 5:34—37, daarvoor verwijst Spitta ons naar de O. T.ische apocriefen.

Ook Spitta geeft toe, dat er groote overeenkomst bestaat tusschen den Jacobusbrief en 1 Petrus, maar hij zoekt deze te verklaren uit de afhankelijkheid van 1 Petrus van Jacobus (tegen Brückner c.s.).

Evenzoo bestaat er volgens Spitta geen enkele reden om Jacobus afhankelijk te achten van Paulus, gedacht

Sluiten