Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middel; in 1 Petrus 1 : 7 komt het voor in de betee kenis van Soxi/iov, dus als adject-neutr. *) Alleen in 4: 13 beteekent innoQtvta&ai handel drijven; in 2 Petrus 2:3 staat het woord in overdrachtelijken zin. In 5:15 beteekent fi'xv gebed, elders gelofte. In hetzelfde vers vinden wij o' xaixvwv = de lijder, de zieke.2) Maar in het N. T. beteekent x«tu>uv gewoonlijk zich inspannen, zich vermoeien.

Alleen in 1 : 11 vinden wij ^Qatvtiv in actieven zin = doen verdorren, en treffen wij den pluralis aan van noQua, maar vermoedelijk zullen wij hier moeten lezen tvnoguat. 8) In 1 : 15 vinden wij het woord avllctfApai/av in figuurlijken zin, gebruikt van de intOunia, welke hier gedacht is als eene wellustige verleidster.

Terwijl het verbum cpovivttv overigens in het N. T. altijd in eigenlijken zin voorkomt, vinden wij het in onzen brief op twee plaatsen (4:2 en 5:6) gebruikt in overdrachtelijken zin. Maar in 4 : 2 voldoet de lezing qtovfvirt niet, immers van »moord», ook in figuurlijken zin = doodelijke haat, kan hier geen sprake zijn. In dat geval toch zou tv^0VTf aan yovfvtrt moeten voorafgaan. 4) Beter voldoet daarom de lezing cp9oynT(, gelijk reeds gelezen werd door Erasmus, eene gissing, die ook door de Statenvertalers werd overgenomen.

In 1:17 wordt God op zeer eigenaardige wijze genoemd o' navTjQ Ttov (fuircof, eene omschrijving, die wij

Vgl. Baljon, Comment. bl. 93.

2) In deze beteekenis komt xacpvw veel voor bij de classieken. 8) Vgl. Theol. stud. 1881, bl. 377 en 378.

4) Vgl. Baljon, Comment. bl. 61.

Sluiten