Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(2 : 21—25), Job (5:11) en Elia (5 : 17), ook verwijst hij zijne lezers naar de profeten (5 : 10). Verder ontleende hij daaraan religieuse gedachten. In 4 : 8 toch is hij blijkbaar afhankelijk geweest van Zach. 1 : 3, in 3:8 van Psalm 140:4, in 1:5 van Spreuken 2:6, 4.

In 1 : 11 citeert hij Jez. 40: 7 (t§ijoavlhj 6 loQtoi xui xn di/9os i&ntaii/), al ontkent Spitta ') dit. In 4 : 61' vinden wij een citaat uit Spreuken 3 : 34, waarbij evenwel moet worden opgemerkt, dat wij hier hebben ó &tog en niet 0' xvqios. In 2:8 noemt de auteur den eisch van Lev. 19:18 (dyanyang toi> Ttkijaiov anv ut{ aiavior) een vofiog ^aaixixoj.

In 2:11 bepaalt hij onze aandacht bij twee geboden uit den dekaloog (Exod. 20: 13 en 15, üeut. 5: 17 en 18), waarbij opmerkelijk is het verschil in volgorde, vergeleken met den Masoretischen tekst. 2) De uitdrukking van 5 : 4h tig o)ia ra xuqiou aapaioO' iiatXi]ï.v\ïuv herinnert ons aan wat wij lezen in Ps. 18:7 [>} xquv/7/ finv iirioniov ai'TOv iiOfkfvauai tig wia ra avrou) en in Jez. 5 : 9 (r/xovadt] tig ra wtu xuqiov aa(iawlï). Vooral is de auteur verwant aan de O.T.ische Spreuken-litteratuur. Daarmee heeft hij gemeen zijne eigenaardige wijze van schrijven, maar verder ook zijne hoogachting der wijsheid (1:5, 3: '3—17)-

Maar veel grooter bekendheid dan met de kanonieke geschriiten des O. T. toont de Jacobusbrief met de O. T.ische apocriefen, 3) vooral met Jezus Sirach, de

!) S. 26 u. 27.

J) Vgl. Spitta, S. 69 Anm.

3) In 4:5 citeert Jacobus een woord, dat noch in het O. T., noch in de O. T:ische apocriefen voorkomt. In Stud. u. Kr. 1853,

Sluiten