Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omwerkingen en uitbreidingen, die het onderging, op hoogen prijs moet gesteld zijn.

Ter verklaring van i ; 17 kunnen wij raadplegen Hen. 72—75, waar gehandeld wordt over den omloop der hemellichten en waardoor ons duidelijk wordt de beteekenis van de uitdrukking rnnirtn riTK>axiun,uu. J) Bij 5:2 kunnen wij raadplegen Hen. 97: 8—10 en 98:2. -)

In dezelfde mate heeft onze brief punten van aanraking met boeken als Judith, de Jubileën, Makkabeën, de Psalmen van Salomo, de apocalypses van Ezra en van Baruch en ook met enkele gedeelten van de Misjna.3) Ook hiervoor kunnen wij verwijzen naar Spitta's volledige opgaven, al moet worden opgemerkt, dat deze geleerde soms punten van overeenkomst bespeurt, waar wij ze niet vermogen te ontdekken, een gevolg trouwens van Spitta's eigenaardig standpunt ten opzichte van den brief. Om niet te uitvoerig te worden zullen wij deze werken evenals de geschriften van Flavius Jozefus maar stilzwijgend voorbij gaan. Wij wenschen hier echter

') Vgl. Spitta, S. 44.

3) Vgl. Spitta, S. 130 u. i3r.

:i) Uit Spitta's eigenaardige beschouwing van den Jacobusbrief, met name van Cap. 3, volgt, dat hij o. i. te vaak naar het tractaat Pirkê Aböt (of ook alleen Abót — eene verzameling van spreuken der beroemdste schriftgeleerden tot + 200 n. C.) verwijst. Zoo b.v. bij 3 : 14, waar Spitta meent te mogen zeggen: „Man sieht deutlich, dass Jakobus mit diesen Worten die Stlnden des Rabbinentums im Auge hat, wie solche auch sonst von unbefangenen Vertretern dieses Standes gertlgt werden" (S. 106). Verwezen wordt daarop naar Pirkê Abót 4:9. Deze verklaring nu is o. i. onjuist, de verwijzing dientengevolge naar Pirkê Aböt eveneens. Daarentegen verwijst hij o. i. met veel meer recht, waar het geldt de verklaring van de uitdrukking vopo? rr,$ èhuSepiac (1 : 25), naar Pirkê Aböt 6 : 2.

Sluiten