Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij lezen in onzen brief omtrent de tong, dat zij is [tfotr toi> •'htratrlrpoQoc—vol doodelijk venijn (3:8). Gelijk de tong der slang vol gif en verderf is, zoo is het ook met 's menschen tong. Voor den oorsprong van dit beeld bij Jacobus kunnen wij raadplegen Sib. III 32 v.: Kal yf 1'hoi /titoOJTvn <)ol<njZOQFg (fioiv) a[iovlotv,

Tor (h; xux ozoiiaiog /uiai 0-avaTtjffOQOg io$.

Bij 5:5 kan men vergelijken Sib. 5:377—380, waar wij eene beschrijving aantreffen van de groote aq>ayi;. Verder meent Spitta1) in 1:17 (naoa óoitig ayathj xai tt«>' doiQijfia leXtiov) afhankelijkheid te moeten aannemen van de Sibyllijnsche orakels, maar dit is naar onze overtuiging toch wel zeer onzeker.

Thans komt ter sprake een Grieksch geschrift, hoogstwaarschijnlijk van een Alexandrijnschen Jood, maar gesteld op naam van Focylides, een Klein-Aziatisch dichter uit de 6e eeuw v. C. Omdat het weinig specifiek Joodsche trekken draagt, heeft men het langen tijd voor het werk van een Heiden gehouden; en toch is het ongetwijfeld van een Jood, daar bijna alle geboden aan het O. T., vooral aan de wet, ontleend zijn.

Evenals onze Jacobus hecht ook Pseudo-Focylides meer waarde aan de zedelijke, dan aan de ritueele voorschriften der wet 8) Maar wij hebben ons hier te bepalen tot de litterarische verwantschap tusschen beiden. Met 3:5b kunnen wij vergelijken Ps. Focylides 144, waar wij lezen : ohyov amvür^og uiïeoipaiog aittezaï vit],

]) S. 40, Anm. 2.

-) Vgl. Spitta, S. 12 u. 13.

3) Vgl. Prof. Oort, Laatste Eeuwen I, bl. 228.

Sluiten