Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stellen wij nu daartegenover »een man, zoo nuchter van geest en zoo afkeerig van theologiseeren» als onze briefschrijver ! Hoe kon hij zich aangetrokken gevoelen »tot een wijsgeer, die de allegorie te baat nam om Plato te verzoenen met Mozes, en genen tot een tolk van dezen te maken« ? *) Intusschen — Blom stemt dit toe — hebben wij niet te maken met mogelijkheden en waarschijnlijkheden, maar met feiten.

Schneckenburger in zijne Annotatio ad epistolam Jacobi perpetua (1832), ■) Siegfried in zijn werk over »Philo von Alexandria« (1875) en Mayor in zijnen commentaar (1892, p L), hebben een groot aantal plaatsen uit Filo bijeengebracht, die naar hun oordeel konden strekken tot opheldering van onzen brief, en waaruit zou blijken, dat onze Jacobus met de geschriften van Filo is bekend geweest. 3)

Siegfried komt tot dit resultaat: »Dass in manchen dieser Parellelen Spuren philonischen Einflusses zu erkennen sind, scheint uns unzweifelhaft. Nur dürfte sich das unserer Erkenntnis entziehen, wie und wodurch diese alexandrinische Weisheit dem heiligen Schriftsteller vermittelt wurde» (S. 314).

Volgens Feine, die van eene bekendheid van onzen auteur met de werken van Filo niet wil weten, straalt in deze woorden duidelijk door, dat Siegfried met de

') Blom, de brief van Jacobus, bl. 277.

2) Vgl. reeds Lösner, Observationes ad N.T.e Philone Alexandrino Lipsiae 1777, S. 452 ff.

3) Siegfried erkent, dat niet alle parallellen van Schneckenburger evenveel beteekenen. „Bei einzelnen derselben ist freilich der Anklang nur ein sehr allgemeiner u. s. w." (S. 311, Anm. 1).

Sluiten