Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de volgende parallel gewezen: 4 : 8a. tyyiaatF. rot xui iyyiei rftiv, en Filo, De migratione Abr. 11 1), waar wij lezen: ovtog <> oQOg iünv toi> fuyulov, to tip arrty yiQtiv r it> 6 iïtoi; avvtyyiQu.

Wat bewijzen nu al deze parallellen? Toch zeker wel, dat onze Jacobus met Filo eenigermate bekend is geweest. Siegfried liet het — gelijk wij gezien hebben

— in het midden, hoe Jacobus tot deze bekendheid met Filo is gekomen. Maar wat is er eigenlijk tegen om een directen invloed van Filo aan te nemen, waar

— gelijk straks zal blijken — zelfs moet worden erkend, dat Jacobus op de hoogte is geweest van de litterarische voortbrengselen van enkele classieke auteurs? Maar aan den anderen kant geven wij Feine toe, dat het niet geoorloofd is om overal, waar onze brief in gedachten of woorden overeenkomt met eene plaats uit een der geschriften van Filo, afhankelijkheid van onzen brief ten opzichte van Filo aan te nemen. Veelal toch is de overeenkomst van den brief met een ander geschrift grooter (bv. bij 3:9); veelal ook kan de overeenkomst van Jacobus en Filo verklaard worden uit het gemeenschappelijke gebruik van een derde bron3).

Zoo komt dan nu ter sprake Jacobus' verhouding

!) Mangey I, 445.

2) Dit geeft Spitta o.a. S. 31 dan ook duidelijk te kennen. Wij voegen hier de opmerking aan toe, dat uit Jacobus' bekendheid met de Hellenistische litteratuur vermoedelijk ook is te verklaren de uitdrukking t»is -/sveueu; in 3:6, waaruit Hilgenfeld ten

onrechte heeft afgeleid, dat Jacobus met de Oifische mystiek bekend is geweest. En zoo is het ook mogelijk, dat Jacobus, hetgeen hij zegt in 2 : 19b, heeft ontleend aan de Hellenische litteratuur (vgl. Zahn, § 6, Anm. 11).

Sluiten