Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de Grieksche en Romeinsche classieken. Hier is echter de overeenkomst veel minder groot en daarom ook veel moeilijker te bepalen. Spitta heeft dit punt naar het oordeel van Grafe te veel verwaarloosd onder den invloed van zijn gevoelen omtrent den oorsprong van onzen brief. Toch is het moeilijk te ontkennen, dat onze auteur met letterkundige voortbrengselen der Grieksch-Romeinsche beschaving is bekend geweest. Maar het is zeer bezwaarlijk uit te maken, hoever die bekendheid zich uitstrekt. *)

De hexameter van 1:17, waarvan reeds vroeger sprake was, bewijst o. i. zeer weinig.

In 1:13 vinden wij eene bestrijding van de gewone menschelijke zucht om de schuld van het kwaad op God te werpen. Hierbij kan men denken aan de uitspraak van Homerus ~) ó'oüx ainos alhx y.ui Moiyit; verder aan Plautus *): Deus impulsor mihi fuit; of ook aan Terentius '): quid si hoe quispiam voluit deus ?

Niet veel meer beteekent het, dat het woord '°) (1 : 14) ook bij de classieken overdrachtelijk voorkomt in malam partem,#)

]) Von Soden (H. C. 1899, S. 169) zegt: „Enrilich verdient es genauere Prüfung, in welchem Maasse der Verfasser mit Elementen der römisch-griech. Geisteswelt bekannt ist. Ganz fremd ist sie ihm wohl nicht u. s. w."

3) Ilias XIX, 86 en 87.

3) Aulul. 4, io, 7.

Eunuchus 5, 2, 875.

5) t'j iïihzp — lokaas om dieren te vangen.

e) Vgl. o.a. Plato, Tim. 69, 6.

Sluiten