Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na de Joodsche — speciaal de Hellenistische — litteratuur en de classieke komt thans ter sprake de Oud-Christelijke — speciaal de N. T.ische — litteratuur.') Wij beginnen met de Paulinische brieven, waaraan onze Jacobus vele vaste termen en uitdrukkingen ontleent; Sixaioua&ai ix niarnoi — tnywv ; Sixaioovi/ij 9tov ; jiXnv jov vofxov; xXtjqovohhv tt]i> puaihiav (in 2:5 's sprake van

xi.ijQOvo/iOt X7]i ^uaiX(tai); XQtvtoftut (mo vouov ; xaTaxau%a(j&ai; Tt xo oqftAo,- ; pi] Tilavaath ; «U' iqh tij ; óXoxh>/qo{ ; naQaioyi&a&ai; tuf A/; ; nagapan/i vouov ; iXivfriQiu.

Verder kunnen wij vergelijken i : 2 en 3 (ytvtotsxovTfs óti to Soxiftiof v/iu>v r7]i TitOTtbOj xartQya'QfTai vnofiovijv) en Rom. 5:3 en 4 (fidorti óti ij fthyii imopovif» xaTtQyafcrai, ij 8t vno^ovij Soxtftijv — —).

De overgang van 1:12 op 13 wordt minder vreemd, wanneer wij letten op 1 Cor. 10: 13 (nngaaftoi vpui ovx ti).ij(pn> ti [Ai] dv&nioTiivoi' mttTOj Si o' 9f0{, ói ovx taait Vftai nnnaa9i]vai vttiq 0' duifaa&t — — ).

De combinatie van zonde en dood in 1:15 (ij St duuntia dnoTiXinffnaa dnoxvn Oavuxov) herinnert door meer dan »entfernte Verwandtschaft des Gedankens« (Feine, S. 113) aan Rom. 5:12 (xai Sta tys ó

iïavttTOi scl. fis *ov X00/40v tïaylfrfp) en 6 : 23 (*« yag óifimvia

Ti]$ dfiaQTiaf ÖUVUTOS).

Met het wèl bekende vers 1 : 18 kunnen wij vergelijken Rom. 8 : 23 ( uvtoi tijd dnaqxyv tov nvfvfiutoj

i%ot>Ttj, ijfini xai uvtoi tv tavroig (STiva^o^tv vioükiiuv dntxdt%o[ifi>oi, TT]i> dno^vtquiaiv tou aoiixaxoi ijfiwv).

J) Gewoonlijk (zoo o. a. Prof. van Manen) spreekt men van Oud-Christelijke „letterkunde". Deze uitdrukking komt ons minder juist voor dan de hier gebruikte.

Sluiten