Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet ons denken aan de uitspraak van i Cor. 8 : 4b (dn ov5d{ 9toi ft ft7/ tij) en aan 2 Cor. 11:14 («t'ro,- . . o ciatav&j (ifTaaxtifiaTi&Tai tij dyytXov <fu>TOj). Maar hier moeten wij toch bijvoegen, dat niet alle parallellen waarde bezitten. Wij kunnen hier herinneren aan hetgeen M. Zimmer schreef (Z. f. w.Th. 1893, S. 490): »Keinerlei selbstandigen Wert besitzt die Parallele 2, 19 und 1 Cor. 8, 4. 2 Cor. 11, 14. Anstatt aber dem Gegner die Albernheit zu subintelligiren, Jacobus hatte von Paulus den Glauben an die Einheit Gottes gelernt (S. 117), ware einiges Verstandnis dafiir wünschbar gewesen, dass die Anrede an den Pauliner dessen Belehrung im Sinne von 1 Cor. 8, 4 voraussetzen und ein dem Teufel zugeschriebener Glaube mitder2Cor. 11, 14 ermöglichten Annahme einer Lichtnatur verglichen werden könnte*. Over de nu volgende parallellen 2:21 — Gal. 3:6 en Rom. 4:3; 2 : 23 — Gal. 3 : 6 en Rom. 4:3; 2 : 24 — Rom. 3 : 28 en Gal. 2:16 is reeds vroeger gesproken.

In de volgende capita van den brief zijn minder punten van aanraking of overeenkomst met de Paulinische brieven te vinden. Toch zijn ze ook hier niet geheel te vergeefs te zoeken. Zoo kunnen wij met 3:15 (ovx ianp nvrtj 1j (jocpia di/co&tv xotTHjiontvT), dWct imytioj, yu%ixi], SaifiofiwSt/j) vergelijken 1 Cor. 2 : 6 (ao<ftai> 8t }.ai.óvntv

iv TOl} TiXtlOlj, OOCfiaV Sl OV TOU UltOVOj TOVTOV ) en

14 (ifwxtxoj dt di/ftoconoj ov dt^trai xcc tov TtvtvfictTOj tov tttov' fiwnia yao avrm i(STiv, xai ov Svvarai yvioi'ai, óri nvtv[iaxtxcoj dvaxQivtxui). De overeenkomst is hier echter zeer gering en bestaat meer in enkele woorden dan in de gedachten, die er door worden uitgedrukt.

Sluiten