Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot een minder stellig resultaat komen wij, als wij nu verder vragen naar de litterarische verwantschap van den Jacobusbrief met de Apocalypse. Trouwens dit behoeft ons niet te verwonderen, als wij bedenken, hoe verschillend het litteraire karakter van beide geschriften is. En zoo er nog punten van aanraking zijn aan te wijzen, zal het toch moeilijk, zoo niet onmogelijk kunnen worden uitgemaakt, aan welke zijde de afhankelijkheid te zoeken is. J)

Onze brief en de Apocalypse hebben drie uitdrukkingen met elkander gemeen:

ie de uitdrukkingozeifuvos r>;g Qtoi;g (i: 12 en Ap. 2 :10)2), 2e de benaming dnaQ/rj voor de Christenen (1 : 18 en Ap. 14 : 4), 3e de uitdrukking toiqxtrai m>o kd* ih'ftotv (5:9 en Ap. 3 : 20).

Verder kunnen wij vergelijken Jac. 2 . 5 met Ap. 2 : 9a. In beide plaatsen vinden wij de tegenstelling van arm en rijk, en wel aldus, dat zij die naar de wereld arm zijn en gering, inderdaad rijk 8) zijn. De overeenkomst bestaat hier dus niet zoozeer in het woord »arm«, gelijk Feine *) meent, als wel in de hoofdgedachte.

Wanneer W. Brückner wijst op de overeenkomst tusschen Jac. 5:17 en Ap 11:6, dan schijnt deze toch grooter dan zij inderdaad is. Het verbum komt

Vgl. Völter, Die Entstehung der Apokalypse- 1885, S. 183 f.; Holtzmann, Einl. 1892, S. 336.

3) Vgl. de opmerking van Pfleiderer, S. 541.

8) „Geestelijk" rijk natuurlijk.

*) S. 132, waar Feine doelt op deze woorden van Holtzmann: „Aus der Apokalypse hat unser Briefschreiber nichtbloss die Armen, welche reich sind u. s. w." (Z. f. w. T. 1882, S. 293).

Sluiten