Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen uylog en cpftovog, tusschen 3:13 en 1 Clem. 38:2, tusschen 1 : 19 vv. en i Clem. 13 : 1 '), tusschen 4: 14 en 1 Clem. 17:6.

Wat wij lezen in 1 Clem. 5 ten aanzien van Paulus kan ons in herinnering roepen den man, van wien sprake is in Jac. 1:12, óg t'.ro/ievu neiQaiJfinv en die daarom den attqavog irtg 'Qto^g zal ontvangen. Wij kunnen ook vergelijken Jac. 5 : 10 en 11 (.viroóiiyfta —

tijg MX07Ta&etag xui ntg fiaxQofrvfiiag — — %itv t'irofiovqv

'hup ) en deze woorden uit 1 Clem. 5: »Maar

laat ons — om met de oude voorbeelden te eindigen, (irui(»vaQyauov inndtiy^aiiov lavaMitt^u)— tot de strijders van den jongsten tijd overgaan. Nemen wij de treffendste voorbeelden uit onze dagen.»

Ten aanzien van Jac. 1:12 in zijn geheel kunnen wij vergelijken 1 Clem. 34: 8, hoewel hier in plaats van loigayarruaiy uvtov staat totg vnoftevovoiv ctvior. Jacobus stemt meer overeen met Paulus in 1 Cor. 2:9. Nu meent Prof. Volter deze onderstelling te mogen maken: «Jakobus hat vielleicht das Wort in der Form von 1 Kor. 2, 9 gekannt, aber daneben hat ihm auch 1 Clem. 34, 8 und 35, 1:4 vor dem Geist gestanden, und weil er da las, dass den vnofievovieg hernachmals die verheissenen herrlichen (35, 1 fiaxaQtu) Geschenke zu Teil werden sollen, hat er 1, 12 so componirt, wie da zu lesen steht» (S. 162). Dit nu is wel niet meer dan eene onderstelling, maar als zoodanig verdient zij meer de aandacht dan de hypothese van Spitta, volgens wien Clemens door de woorden vno^isvti irfiQctafim' er

l) Vgl. 1 Petr. 2:1.

Sluiten