Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vooral Sim. II) en beider auteurs bevelen, ongeveer met dezelfde woorden zelfs, de zorg aan voc r de armen en noodlijdenden in de gemeente. Om enkele voorbeelden te noemen verwijzen wij hier naar wat Jacobus zegt in 5:4 en naar de woorden van Vis. III, 9, 6: (tki mie ovv vfieig oi yui'QOi fitroi èv i(<i nlnvioi nfimv, fir nint aievuiovoiv oi lateQOVfievoi, xai 6 azevuyfios uriwv uva^i-ae tui :uhk

zov xvyioi' . Naar Jac. 5 • 5 (èzQVfpr^aaTe xai èa-Tazal^aaze)

en Sim. VI, I, 6 (zqv(pit>vzu rv xai Xiav cirazuloivia)^ VI, 2, 6 (ra onuTcth'HTa xai zqw/oivzu).

Met 2 : 7 (ftXaoq^ftoroiv 10 xalov (houa 10 emxXrj&ev A/ t fiua) kunnen wij vergelijken Sim. VIII, 6, 4 (liXuorptjit]

aaneg z ov xixjiov, en ih xut e.runï/ii^tntgio ovofia xroi'tt

to èmxXt]i}tv trr' cciïiouc:) ]).

De eigenaardige uitdrukking xuioixt'Ceir, door Jacobus gebruikt in 4 : 5 (/o 7rvevfia <ï xcn<;>xiotv ir rju>) komt ook voor in den Herder van Hermas, bv. Mand. III, 1 en Sim. VI, 6, 5.

Ook van Jac. 4:12 (eis eoztv 0 vounïïtirfi xai xyizqg, o (hnauevog ockjui xai unoXeout) vinden wij parallellen bij Hermas, nl. Mand. XII, 6, 3 (r/wfyJhjrï zov uiviu thru /.tti'01', ootöai xai dnoXeoai) en Sim. IX, 23, 4 (o'g ÓDvafttvog u.roXenut rj (Jitiacti at iov).

') Vgl. wat Prof. Völter zegt omtrent ro ivopz xupiou, S. 282. Ook wat hij opmerkt aangaande de Similitudo in haar geheel, is van zeer veel belang voor het juiste verstaan van het Christendom van onzen brief. „Der Verfasser von Sim. VIII hat keinen Sohn Gottes gekannt und kann darum auch Jesus diese VVürde nicht zugeschrieben haben. Daraus folgt nun aber nicht, dass der Verfasser von Sim. VIII der historischen Person Jesu keinerlei Bedeutung ztierkannt habe. Doch kann er ftlr ihn nicht mehr gewesen sein als ein menschliches Werkzeug des Erzengels Michael u.s. w." (S. 283 u. 284),

Sluiten