Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vestigen. Met 2 : 19 kunnen wij vergelijken wat Justinus zegt in het 49e caput van den Dialogus. Hij zegt daar van Christus: ói> xai ra dai/ioviu ngtaan.

Maar vooral hebben wij hier te denken aan het verbod van den eed in de eerste Apologie (16:7): Mtj oftonrjrt ólu>i' tarw dt r0 fat vat, xai to otf ov • wij

vinden hier dezelfde formuleering als in Jac. 5 : 12 ').

Verder mag hier nog gewezen worden op de uitdrukking mxoqu èftyvTov TOV Xnyov. (2e Apol. C. 8 en 13), welke vooral hierom onze aandacht vraagt, omdat de verbinding van en Ao/o; eigenlijk alleen voor¬

komt Jac. 1:21. Ook het woord t>qpuro»* op zichzelf komt zelden voor in de niet-kanonieke litteratuur -).

Al kunnen wij dus niet ontkennen, dat er eenige overeenkomst bestaat, de bewering, dat Justinus dus den Jacobusbrief moet gekend hebben, lijkt ons zeer onzeker.

Meer verwondering kan het baren, dat Hegesippus, de vereerder van Jacobus den rechtvaardige, van onzen brief geen melding maakt. Daarentegen schijnen Irenaeus, Tertullianus en Clemens Alexandrinus den brief gekend te hebben.

Wij lezen bij Irenaeus (adversus haereses 1. IV, ió:2):l): Et quia non per haec iustificatur homo, sed in signo data sunt populo, ostendit, quod ipse Abraham sirie circumcisione et sine observatione sabbatorum

') Gelijk bekend is, dacht Schwegler hier aan invloed van het zgn. Hebreerevangelie.

■) In den Barnabasbrief komt het trouwens voor, gelijk ons gebleken is.

8) Vgl. ook IV, 13:4.

Sluiten