Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat zij nu onder alle schepselen Gods eene eerste plaats, eene eereplaats innemen als het door God geliefde en het Gode welbehagelijke deel van het menschdom.

De woorden dixtxvrjam ijfjaj loytp herinneren

aan de woorden dvuyfywvqutvoi Stu Xoyou

ittov nut nivovxoi in i Petrus 1:23 (vgl. ook 1 : 3 v., 2 : 2) en de uitdrukking unanyt) is blijkbaar ontleend aan x Clem. 29, waar zij betrekking heeft, niet op de schepping van den mensch, maar op de uitverkiezing van het volk Gods. *) Ook dit pleit tegen de verklaring van Spitta.

Dat daarentegen onze opvatting juist is, blijkt verder

hieruit, dat wij 1:21 lezen : Sw öf£ua!>t xov iftq urov

Xoyov toi> Suvafifi/ov rfioiyai tAj v/xoiv. Het woord,

waarvan hier sprake is, kan geen ander zijn, dan het pas genoemde woord der waarheid, en juist omdat, gelijk werd opgemerkt, dat woord der waarheid tot het innerlijk werkzame, nieuwe levensprincipe van den mensch geworden is, wordt het hier als inq>vtos loyoj, als ingeplant woord, gekarakteriseerd. ~)

Dat het woord reeds in de lezers is ingeplant — wat natuurlijk bij hunne bekeering moet zijn geschied — als nieuw levensbeginsel, dat verhindert volstrekt niet, dat zij het telkens opnieuw moeten aannemen, zich eigen maken en ook in practijk brengen. Van eene werkelijke tegenstrijdigheid — gelijk men zou kunnen meenen, dat er bestaan zou — tusschen het

Vgl. Völter, Apost. Vater I, S. 158.

2) Het woord èupuToj is aan het beeld van den zaaier ontleend. Vgl. Beyschlag, Neutest. Theol. I, S. 343; Holtzmann, Neutest. Theol. II, S. 348. Anm. 1.

Sluiten