Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het dan vertier in 2 : 10 en 11, >alwie de geheele wet onderhoudt, maar in één gebod struikelt, is aan alle schuldig geworden. Want die gezegd heeft: gij zult geen overspel doen, heeft ook gezegd: gij zult niet doodslaan (Exod. 20: 13, 14; Deut. 5: 17, 18). Indien gij nu geen overspel doet, maar doodt, zijt gij een overtreder van de wet geworden». En nog meer citaten uit de wet zouden hier genoemd kunnen worden, maar dat is onnoodig. Alleen willen wij hier nog verwijzen naar 5:10, waar van de profeten wordt gezegd, dat zij hebben gesproken in den naam des Heeren, d. i. in den naam van God.

Maar met dat al zouden wij toch den schrijver van den Jacobusbrief geheel verkeerd verstaan, wanneer wij meenden, dat hij bij den loyoi d"kij&n«i en den loyoi inyvtoi eenvoudig aan de O.T.ische openbaring gedacht had. Hij laat ons trouwens omtrent zijne werkelijke bedoeling niel in het onzekere. Immers in 1 : 25 (vgl. ook 2:12) karakteriseert hij den loyaj aXijiïdaj en den Xoyo{ *n<fVTOi als vofioi itXnoi o tt/j iktvtftQiaj,

Door déze praedicaten van het woord wil Ja-

cobus blijkbaar eene tegenstelling uitdrukken met eene wet, van welke zij niet gelden, eene wet dus, die onvolkomen is en die de menschen knecht. Met deze laatste wet kan moeilijk iets anders bedoeld zijn dan de wet van Mozes, met hare veelal uiterlijke, ceremonieele en ook niet altijd op de volle ethische hoogte staande voorschriften. J)

'J Vgl. de belangrijke aanmerking in Weiss' Bib!. Theol. des N. T. 7, S. 183, waarmee wij ons evenwel geenszins knnnen vereenigen.

Sluiten