Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achten — is nergens meer in den brief uitdrukkelijk van hem sprake. Maar nu zou het toch kunnen zijn, dat er plaatsen waren in den brief, waarin op zijn persoon wordt gezinspeeld en gedoeld. Ook daarmee hebben wij rekening te houden.

In 2:7 lezen wij : »Lasteren zij« — bedoeld worden de rijken van vs. 6 — »niet den schoonen naam, die over u genoemd is?« Volgens sommige geleerden kan men bij dien schoonen naam alleen denken aan den naam van Jezus Christus, volgens anderen zoowel aan den naam van Christus als van God, volgens ons evenwel alleen aan den naam van God. Er is o. i. niets, dat ons het recht geeft om te denken aan Christus' naam. »Goed« of »schoon» wordt de naam van God ook genoemd in Ps. 134:3 (LXX). En verder is de geheele

uitdrukking ro ovonu ro tTuxXij&iv i<p' i'ipui O. T.isch.1)

Zij beteekent hier, evenals in Handel. 15 : 17, dat de naam van God onder hen verkondigd is.

Eene andere plaats, welke hier in aanmerking komt, is 4: 12a, waar wij lezen: »Eén is de wetgever en rechter, die behouden en verderven kan.« Volgens Weiss moeten wij hier bepaald denken aan Christus, immers hier is sprake van het verbod van het xqwhv, en dat is toch door Christus gegeven.2) Ons evenwel komt het voor, dat, aangezien de vonobmji blijkens 1 : 18 God is, de xqitijs ook God moet zijn. Voor deze opvatting pleit, dat het verband volstrekt niet op Christus wijst. :i)

') Vgl. de plaatsen bij Spitta, S. 65 en Völter, Ap. V., S. 282.

*) Vgl. „Der Jakobusbrief u.s. w." S. 24.

3) Vgl. ook de parallelle plaatsen (b.v. Sir. 7: n, Hermae Vis. IV, 2, 6; Mand. XII, 6, 3; Matth. 10:28 en Luc. 12:5).

Sluiten