Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijk. Die daden of werken moeten volgens 1 : 20 van dien aard zijn, dat zij Gods gerechtigheid (dixuioauvyv d. i. den toestand van rechtvaardigheid dien God wil en als zoodanig erkent, bewerken.

Daarmee komen wij van zelf tot de pericope 2:14 —26 J), waarin Jacobus zijne opvatting der rechtvaardiging nader ontwikkelt.

Laat ons beginnen met den inhoud der pericope na te gaan. Jacobus begint in 2 : 14 met de vraag: »Wat baat het, mijne broeders, wanneer iemand zegt geloof te hebben, maar geen werken heeft? Het geloof kan hem toch niet behouden?» Naar aanleiding van dit vers reeds zijn enkele opmerkingen te maken. Als altijd, zoo valt Jacobus ook hier dadelijk met de deur

ij Met deze pericope hebben de geleerden zich aliijd bezig gehouden. Eene opgave der voornaamste litteratuur volgt hier :

Weiss, deutsche Z.schr. f. chr. Wissensch. u. s. w. 1854, S. 51 ff;

Wijbelingh beantwoordde in 1860 de vraag, of Jacobus polemiseert ;

Blom, Godgel. Bijdr. 1865;

Hengstenberg, Evang. Kirchenz. 1866, S. 93 ff;

Weiffenbach, Exeg. theol studie tlber Jak. 2, 14—26, 1871 ;

Fritzsch, Der Glaube, die Werke und die Rechtfertigung nach der Lehre des Jakobus, 1875;

Kttbel, Glaube und Werke bei Jakobus, 1880;

Thijm, Stud. 1883;

Kuttner, Prot. Kirchenz. 1885;

Klöpper, Z. f. w. Th. 1885, S. 280 ff ;

Usteri, Glaube, Werke und Rechtfertigung im Jakobusbrief, Theol. Stud. u. Kr.i, 1889;

Schwarz, Theol. St. u. Kr.1, 1891;

Ktihl, Die Stellung des Jakobusbriefes zum alttest. Gesetz und zur paulin. Rechtfertigungslehre, 1905 — alsmede de uitvoerige verhandelingen in de verschillende werken over N. T.ische theologie en N. T.ische inleiding (vooral van Weiss en Holtzmann).

Sluiten