Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ixtaviv t%u)J). Dat alles is even willekeurig en het doel wordt op deze wijze niet bereikt. Indien de rzoo had gesproken als I'fieiderer wil, bij wien o. a. Baljon zich heeft aangesloten, dan zouden zijne woorden geene tegenwerping meer zijn, maar dan zou hij slechts iets constateeren, wat reeds bekend is en niet herhaald behoefde te worden.

Wij denken ons de zaak daarom aldus: '2) de r/j van vs. 18 vraagt (als tegenwerping) alleen: »hebt gij« — en op dat »gij« valt de nadruk — »dan geloof» ? Daarop antwoordt dan Jacobus: »(wel zeker), ik heb immers ook werken (waaruit het gelooi kan worden bewezen).« Daarna gaat hij voort met te zeggen: >toon mij toch uw geloof zonder werken, en ik zal u op grond van mijne werken mijn geloof toonen.»

Hoe weinig waarde zulk een geloof zonder werken heeft, toont dan het volgende vers. In vs. 19 toch lezen

') Urchr.2II, S. 547, Aam. 2.

-) Men behoeft de verschillende commentaren slechts in te zien, om tot de overtuiging te komen, dat men met dit vers tamelijk wel verlegen is. Gelijk men ziet, sluiten wij ons hier aan bij de opvatting van Von Soden. V011 Soden toch plaatst achter auirirrrrj s/et; een vraagteeken. De -1; zal bij hem, die het geloof onderschat, en die ilechts naar werken vraagt, de aanwezigheid van geloof betwijfelen : „du, der du so vom Glauben redest, hast du überhaupt Glauben?" (H. C. 1899,8. 189). De aldus aangesprokene heeft evenwel werken, en daarmee gewonnen spel; „er fordert den Einwerfer auf zum Erweis jenes Glaubens, den er in der Frage: tu 7ri7Tiv è/st;; als seinen Besitz für sich in Anspruch nimmt: zeige mir deinen Glauben ohne die Werke, und verspricht ihm : ich will dir aus meinen Werken „den" Glauben zeigen, namlich eben den, welchen du an mir bezweifelst" (t. a. p. S. 189). — Wij zien niet in, welke overwegende bezwaren tegen deze verklaring kunnen worden ingebracht (tegen Baljon, Comm. bl. 42).

16

Sluiten