Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van mntii en tf>ya in eenen anderen zin, dan de juist aangeduide, geen sprake kan zijn.

Willen wij nu de verhouding van Jacobus' rechtvaardigingsleer tot die van Paulus nader leeren kennen, dan zullen wij hebben te letten op de enkele elementen, waaruit zij bestaat.

Volgens Jacobus is evenals volgens Paulus geloof de eerste vereischte voor de rechtvaardiging, al is zij bij hem niet de eenige, en zelfs niet de voornaamste. Maar wat verstaan beiden onder gclooj ?

Geloof sluit volgens Jacobus in elk geval in zich de theoretische erkenning van God (2 : 19). Maar het geloof, dat slechts daarin bestaat, is een dood, onvruchtbaar en onnut geloof (2 : 17, 20, 26). Geloof in den eigenlijken en den vollen zin van het woord bestaat in de algeheele persoonlijke (4 : 5), zoowel vertrouwende (1:6, 5:15 en 16) als gehoorzame (1 : 21 ; 1 : 25—27; 2:1 —13, 21—25; 4:7, 12 enz.) overgave van den mensch aan God. Dan wordt het geloof, wat het inderdaad moet zijn, een werkzaam, een heilzaam principe. Nu zal men zeker niet kunnen beweren, dat het Paulinische geloofsbegrip over het algemeen niet ook deze elementen in zich bevat.

Dat het de erkenning Gods in zich sluit, spreekt vanzelf, en dat het eensdeels vertrouwen, anderdeels gehoorzaamheid is, bewijst bv. reeds Rom. 5 en 6. Maar de vraag moet aldus gesteld worden: van welken aard is het geloof, dat volgens Paulus ter eener, volgens Jacobus ter anderer zijde, bepaald voor de rechtvaardiging in aanmerking komt?

Zoodra wij deze vraag trachten te beantwoorden,

Sluiten