Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het naar rechtvaardiging strevende geloof zich moet richten, bij Paulus en bij Jacobus van geheel verschillenden aard is. Bij Paulus bestaat zij in de openbaring der genade Gods in Christus, bij Jacobus in de openbaring van den Ao/o,- aL/ttuaj of in den vopo; Tiltioj ztji thviïfQiaj. Eischt de eerste, dat men haar met vertrouwen aanvaardt en zich eigen maakt in mystieke gemeenschap met de heilspersoonlijkheid, de andere eischt, dat men haar gehoorzaam aanneemt en opvolgt.

Door deze uiteenzetting is niet alleen verklaard, waarin Paulus en Jacobus ten opzichte van het voor de rechtvaardiging vereischte geloof verschillen, maar ook waarom bij Paulus slechts geloof, bij Jacobus geloof en werken, en wel vooral werken, ') voor de rechtvaardiging noodig zijn.

Wat de werken betreft, door Paulus worden bepaald de werken der wet, d. w. z. de werken, die in de uiterlijke vervulling der Mozaïsche wet met hare cere monieele voorschriften bestaan, als middel ter rechtvaardiging verworpen (Rom. 3 : 28, Gal. 2 : 16). Toch eischt ook Paulus eene zekere wetsvervulling, n.1. het vervullen van ro dixuiufia tov i/opov (Rom. 2 : 26—29, 8:4, vgl. 13:8—10), of van de wet van Christus

') Dat de vraag naar de juiste verhouding tusschen geloof en werken bij Jacobus moeilijk te beantwoorden is, blijkt zoowel uit de geheel verschillende meeningen, welke in dit verband zijn uitgesproken, als ook uit het oordeel van Baur, die hier meende te moeten spreken van „die Mangelhaftigkeit dieses Lehrbegriffs" (Nt. Theol S. 281). Vgl, de aanmerking van VVeiss in zijne bibl. Theol. des N. T. S. 187. Verder ook de beelden bij Feine, S. 46; Spitta, S. 84 en Holtzmann, S. 335, Anm. 5.

Sluiten