Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sische beteekenis. Deze uitdrukking wordt gebruikt om de werkzaamheid van den rechter aan te duiden, die een aan zijn oordeel onderworpene vrijspreekt, voor onschuldig verklaart, en staat als zoodanig tegenover JTCHn — xctTaytyvwaxtiv — xotzaSixotQuv — veroordeelen. Deze iuridische uitdrukking wordt nu overgebracht op Gods werkzaamheid, die als opperste rechter de menschen oordeelt. In het O. T. vinden wij bijna alleen eene iustificatio iusti, d. i. eene rechtvaardigverklaring van den mensch, die blijkens zijne daden reeds rechtvaardig is (Deut. 25 : i, 1 Kon. 8:32, Jez. 50:8, Ps. 82 : 3).

Het rechtvaardig verklaren van den onrechtvaardige, de iustificatio iniusti, geldt er als een teeken van partijdig oordeelen (vgl. Exod. 23 : 7, waar de L\X hebben : ov Sixaicoanj tov naffitj tmxtv öconcoy).

Jacobus nu leert in aansluiting aan de doorloopende beschouwing van het O. T. de iustificatio iusti '). Gerechtvaardigd immers wordt volgens Jacobus de mensch die in geloofsgehoorzaamheid jegens God goede werken gedaan heeft.

'J Anders evenwel oordeelden Schmidt en Weiffenbach (vgl. B. Weiss, Bibl. Theol. 1903, S. 189 Anm.3). Dat Jacobus de iustificatio iusti leert, volgt volgens Siefifert (R. E. 1900, S. 5S4) uit het feit „dass das irïixcti'jijn v. 21 etwas von Kiare-jun w aiir';> ei; &tx' v 23

verschiedenes und darauf folgendes bezeichnen musz u. s. w."

Volgens Kühl (Die Stellung des Jakobusbriefes zum alttest. Gesetc und zur Paulin. Rechtfertigungslehre, S. 48) is de uitdrukking iustificatio iusti „ein ganz unzulassiger Ausdruck, ja ein Widerspruch in sich selbst, welcher recht deutlich in dern wunderlichen Satz v. Sodens zutage tritt : „Das Jtzaeouv ist nach Jakobus ein Urteil, welches mit Fug und Recht erst von dern Augenblick an gilt, wo die iïtxMoavvri da ist."

Sluiten