Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch met krachtige inspanning moet streven. Toch wordt ook hier het vertrouwen van den mensch, dat hij gerechtvaardigd zal worden, nooit gebaseerd op de werken, maar altijd alleen op het geloof (Rom. 10:9 en 10; Gal. 2 : 16, 5:5; Filipp. 3 : 9).

Wanneer wij alles overzien, dan blijkt ons, dat Jacobus' polemiek tegen de Paulinische rechtvaardigingsleer vooral hiermee samenhangt, dat hij niets wil weten van de Paulinische verzoenings- en verlossingsleer, die weer nauw samenhangt met de Paulinische leer van de zonde. Positief is Jacobus in zijne opvatting der rechtvaardiging bepaald door de O. T.ische voorstelling, dat God den mensch eene wet gegeven heeft, welke de mensch moet vervullen om voor God rechtvaardig te zijn. Deze voorstelling is volgens Jacobus ook de echt Christelijke. Want ook de Christelijke openbaring bestaat volgens Jacobus in eene wet, n.1. den vopot rduoj rtji tfovOtoiaj, welke wet de mensch krachtens Gods wil heeft te vervullen. Erkent dan ook Jacobus met Paulus het geloof als de voorwaarde der rechtvaardiging, toch krijgt het bij hem slechts de beteekenis van gehoorzaamheid aan God en Zijne wet, en daarom komt op het zichtbare bewijs van dit geloof, d. i. op de werken, alles aan.

Men meene nu evenwel niet, dat Jacobus het heil alleen van 's menschen eigen werken en doen laat afhangen, en niet ook van de goddelijke genade. Deze laatste wordt door Jacobus zeer zeker erkend (4 : 6). Genade is het reeds, dat God den mensch — door den geest, dien Hij in hem heeft doen wonen (4:5) — geschapen heeft naar zijn beeld (3:9); genade — en wel vrije genade (fiovfojdiii) — is het, dat Hij

Sluiten