Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze haalt zich de mensch het goddelijke strafvonnis op den hals: den dood (i : 13—15) ').

In de tm>'h>/nia draagt dus de mensch de zonde altijd potentieel in zich, maar of de zonde actueel, reëel wordt, hangt af van 's menschen wil. Feitelijk wel is waar geraken alle menschen — de een natuurlijk vaker dan de ander — onder de heerschappij der tiri!>vfuu en vervallen daardoor tot zonde (3 : 2a), maar het moest aldus niet zijn. De mensch, die naar Gods beeld ge schapen is (3 : 9^), en in wien God Zijnen geest heeft doen wonen (4:5^), moet — zóó wil God het — zich geheel en onverdeeld aan God overgeven, maar de firitt-v/iia, die als de levensuiting der zinlijke natuur van den mensch, niets anders is dan het zinlijke en als zoodanig zelfzuchtige begeeren van den mensch, trekt hem naar de zijde der wereld, maakt hem tot eenen vriend, eenen minnaar der wereld, en daarmee tot eenen vijand van God, of althans tot eenen mensch, die met een verdeeld hart voortdurend heen en weer geslingerd wordt2) (4:1 vv.).

De wereld, waarvan Jacobus spreekt en waarover hij zoo ongunstig oordeelt is de zinlijke wereld, waartoe de menschen behooren met hunne zinlijke natuur en

') Onder javstro; kan hier moeilijk iets anders worden verstaan dan de fysieke dood, die de straf is der zonde.

3) In 1:8 vinden wij de eigenaardige uitdrukking gebruikt.

Het woord beteekent natuurlijk : twee zielen hebbend. De bedoeling is, dat de twijfelaar twee elkander wederstrevende zielen heeft, ééne naar God heen, en ééne van God af. Hij wil dus én een vriend van God én een vriend der wereld zijn, hoewel de vriendschap der wereld eene vijandschap is met betrekking tot God. Vgl. Baljon, Comm. bl. 10.

17

Sluiten