Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gansche leven eenen verderfelijken invloed uitoefenen en, als door de machten der hel in beweging gebracht, eene wereld van ongerechtigheid voortbrengen. Evenals men den paarden de toornen in den bek moet leggen en de schepen met het roer moet wenden, zoo moet de mensch ook zijne tong in toom houden. Laat hij niet meenen, dat dit gemakkelijk is, want de tong is een onrustig, een aan alle invloeden onderhevig kwaad, *) vol van doodelijk venijn!

De zonden met de tong bestaan niet alleen in het oordeelen over en kwaadspreken van den naaste (4 : 11), maar met de tong uit zich ook die eigenzinnige zucht om altijd gelijk te hebben, die den mensch tot zweren (5:12) en vervloeken (3 : 9), tot liefdeloozen ijver en toorn verleidt. Daarbij behoort ook het streven om tegenover anderen als leermeester op te treden, daar men meent alles beter te weten (3 : 1).

Dat is slechts het uitvloeisel der aardsche, psychische, demonische wijsheid, d.i. der wijsheid, die in het bij deze vergankelijke, aardsche, door demonen beheerschte wereld behoorende zinlijke wezen van den mensch haren oorsprong heeft. Daartegenover beveelt Jacobus de wijsheid van boven aan, d.i. de door Gods geest en woord gewerkte en gevoede echt Christelijke gezindheid of vroomheid, die vreedzaam, voegzaam, gehoorzaam, zonder valschheid en geveinsdheid, vol van barm-

') I11 3 : &/> wordt de tong genoemd een aaanxircaxw /.axov. Vgl. voor i*«T3t<7Txrov de woorden inquietum, inconstans. Gelijk Raljon (Comm. bl. 55) opmerkt, is het beeld ontleend aan de heen en weder schuifelende slang.

Sluiten