Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met meer recht schijnt men van een Ebionitisch karakter van onzen brief te mogen spreken. ') Men kan zich althans hiervoor beroepen op onderscheidene eigenschappen van den brief. Zoo maakt onze auteur gebruik van de autoriteit van Jacobus, den broeder des Heeren, die volgens de overlevering een man van streng Joodsch-Christelijke beginselen was (vgl. vooral ook Gal. 2 : 12); hij laat den brief gericht zijn aan de twaalf stammen in de verstrooiing; hij ziet in de armen in tegenstelling met de rijken de eigenlijke uitverkorenen Gods; hij kent aan de samenkomsten der geloovigen den naam avvayioyq toe; hij wijst de Paulinische leer van de rechtvaardiging door het geloof af en ziet in Jezus niet meer dan een profeet.

Toch komt het ons onjuist voor om den brief zoo maar Ebionitisch te noemen zonder meer. De argumenten zijn niet afdoende. Volgens het kerkhistorisch begrip zijn de Ebionieten eene Christelijke sekte van Joodsche afkomst, die voor zich, resp. voor zich en voor anderen de opvolging van de Mozaïsche wet verplichtend gesteld hebben. Jacobus daarentegen heeft die Mozaïsche wet vervangen door den vopos Tthioj iXtvOfniu^. Ook heeft hij den nationalen achtergrond, die bij het echte Ebionitisme behoort, geheel prijsgegeven. Beter dan «Ebionitisch» dunkt ons daarom de benaming »Ebioniseerend«, waarmee bedoeld wordt

') Schwegler en Weizsacker o.a.; tot op zekere hoogte ook Holtzmann, Nt. Theol. II, S. 349 u. 350. Van de Esseners is de overgang zeer gemakkelijk te maken naar de Ebionieten. Zeiler (Z. f. w. Th. 1899 S. 256) spreekt dan ook van „die christlichen Nachfolger der Essener, die Ebioniten."

Sluiten