Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene tegenstelling uit te drukken met het begrip »Pauliniseerend«. Hiermee wordt dus eene bepaalde richting aangeduid, niet de afkomst.

Feitelijk hebben wij in den Jacobusbrief leeren kennen een Christendom, dat niet als eene nieuwe, op bijzondere heilsfeiten (persoon, dood en opstanding van Christus) gebaseerde religie kan geplaatst worden tegenover de O. T.ische, maar dat veeleer volgens het programma der bergrede kan worden aangeduid als de volmaakte O. T.ische religie, ontdaan van hare nationale en ceremonieele bepalingen, opgevat naar hareethisch-religieuse kern en bestemd voor alle geloovigen zonder onderscheid.

Het Christendom van den Jacobusbrief draagt dus hetzelfde karakter als dat, wat Prof. Völter in 1 Clemens en den Herder van Hermas en onlangs ook nog in 1 Petrus heeft ontdekt, geschriften, waarmee onze brief trouwens ook in litterarisch opzicht zeer nauw verwant is. Het is het Christendom der te Rome zoo talrijke Joodsche proselieten. «Deze lieden», zegt Völter,1) «hadden reeds vóórdat zij zich tot het Christendom bekeerden, eene religie, die hunne ethisch-religieuse behoeften bevredigde, eene religie die in een gereduceerd Jodendom bestond. En tot het Christendom zijn zij alleen overgegaan, omdat het juist de door hen gewenschte reductie van het Jodendom sanctioneerde, en om «die religiöse Vollberechtigung zu finden, die ihnen das Judentum verweigerte».«

') Der 1. Petrusbrief, Strassburg, Heitz, 1906, S. 44; vgl. Die Apost. Vater S. 109.

Sluiten