Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christelijke Godsvolk, dat verstrooid in het midden der Heidenen leefde.

De toestand, waarin de lezers van onzen brief zich volgens de daarin gemaakte aanduidingen bevinden, kan niet rooskleurig genoemd worden. Het Christelijke leven had blijkbaar reeds veel van zijne oorspronkelijke zuiverheid en frischheid verloren; het kreeg meer en meer een wereldsch karakter.

Wat ons in de eerste plaats treft, is de tegenstelling tusschen armen en rijken, welke wij telkens weer in den brief tegenkomen. Vooraf ga de opmerking, dat wij meenen, dat ook de rijken van den brief Christenen zijn, wel geene echte Christenen, maar toch Christenen, zoo men wil: naam-Christenen. Deze opmerking vereischt evenwel eenige toelichting. De Christenen behoorden aanvankelijk vooral tot de lagere klassen der maatschappij. Hierin stemt het oudste Christendom zeer zeker met het Buddhisme overeen *). De armen waren in de eerste eeuw onzer jaartelling zeer talrijk in Judea. Het land is van nature — gelijk Renan opmerkt — ontbloot van de hulpmiddelen, door welke de inwoners tot welgesteldheid hadden kunnen komen, 'tls waar, de tempel had schatten genoeg, maar wat baatte dit den gewonen Jood? Niets, hij bleef eenvoudig wat hij was: arm! Nu vormde zich langzamerhand eene geheele klasse van heilige mannen, vrome dweepers, die de wet zeer gestreng in acht namen, maar wat het uitwendige leven betreft, in eenen rampzaligen

') Vgl. wat Renan zegt over dit onderwerp o.a. in zijn „Les Apötres."

Sluiten