Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze tegenstelling is zuiver sociaal op te vatten. Men mag de rijken niet, gelijk Kern en later ook Schwegler deed, voor Heidensche Christenen of Pauliners, de armen daarentegen voor Ebionieten houden. Maar evenmin mag men met Weiss in de rijken ongeloovig gebleven Joden zien. Voor de eene of de andere opvatting bestaat hoegenaamd geene aanleiding.

Tegenover den rijkdom en het streven naar rijkdom, tegenover de wereldsche gezindheid en de vvereldsche praktijken plaatst onze Jacobus zich nadrukkelijk op Oud-Christelijk standpunt. Geen wonder, dat zijn brief bijna geheel eene boetpredikatie is in den geest van Jezus en van de O.T.ische profeten.

«Welaan nu, gij rijken!» — zoo heet het in 5: 1—6 — «weent jammerend over uwe ellenden, die zullen komen. Uw rijkdom is verrot en uwe kleederen zijn door de mot verteerd. Uw goud en zilver zijn verroest en hun roest zal tegen u tot eene getuigenis zijn en zal uw vleesch als een vuur verteren. Gij hebt schatten verzameld in het laatste der dagen. Zie, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, dat door u is achtergehouden *), schreeuwt, en het geroep dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot de ooren van den Heer Zebaoth. Gij hebt op de aarde weelderig en brooddronken geleefd; gij hebt uwe harten

und Gebet vor Gott. Ernstliche und eifrige Frömmigkeit herrscht nur ira Kreise der Armen."

Vgl. ook wat Renan opmerkt in „Les Évangiles et la seconde génération chrétienne", p. 45.

!) Men kan lezen iy' ■juu» inplaats van £f iipuv. Vgl. Naber in Mnemosyne 1879, bl. 94.

Sluiten