Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenwel duidelijk uit hetgeen omtrent hen wordt meegedeeld ; er is toch sprake van een roemen in pralerijen. Jacobus keurt in hen af hun plannen maken zonder rekening te houden met God en Zijne bedoelingen. Dat zij zich niet bewust zijn van de vergankelijkheid van hun nietig men«chenbestaan, dat is een gruwel in zijne oogen. Vooral blijkt dit laatste uit hetgeen Jacobus zegt in i :g—11. Gelijk de arme — aldus is de voorstelling hier — in al zijne armoede op zijne hoogheid J) roemen mag en zelfs moet, zoo moet de rijke roemen op zijne vernedering; d.i. met dankbaarheid jegens God moet hij zich herinneren, dat hij aan de vergankelijkheid onderworpen is gelijk de grasbloem. God toch heeft hem blijkbaar juist door deze vernedering willen bewaren voor hoogmoed en lichtzinnigheid.

Bij uitstek ongunstig oordeelt Jacobus over de rijken in 2: 6ö en 7. »Overheerschen u niet de rijken, en trekken zij u niet voor rechtbanken? Lasteren zij niet den goeden naam, die over u genoemd is ?«

Wat Jacobus hier zegt, is van dien aard, dat men een oogenblik zou kunnen vragen of hier dan niet

!) De arme broeder moet roemen op de hoogheid, „welke hem als Christen kenmerkt, en die zich openbaart in het doorstaan van de beproevingen en in de heerlijkheid, welke hij als Christen heeft en eens volkomen bezitten zal." (Baljon, Comm. 1904, bl. 10). In vs. 10 moet blijkens het verband met vs. 9 bij, '0 Se niovino; gedacht worden xieXfos. — Over de verklaring van z-nztivuai; zijn de geleerden het niet eens. Kern dacht aan „innerliche Niedrigkeit", d.i. „Demuth". maar Zahn vond deze verklaring geheel onjuist: „denn dessen sich rühmen, ware schlimmster Hochmut" (Einl. S. 70). Von Dobschtitz (Die Urchr. Gem. S. 211) spreekt van „Gtlter konfiskation." De verklaring van Spitta (S. 26) berust op Jerem. 9: 22 v.

Sluiten