Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beginselen, waarop de mijnwet van 1810 berust, zijn in hoofdzaak de volgende:

De wet rangschikt alle delfstoffen onder drie categorieën, n.1. onder mines, ininières en carrières.

De ontginbare delfstoffen, die onder den collectieven naam mines gerangschikt zijn, worden geacht een bestanddeel te vormen van den grond en dus den eigenaar van de oppervlakte toe te behooren, zoolang de aanwezigheid daarvan nog niet bekend is, zoolang ze nog niet ontdekt zijn. Niemand, ook de grondeigenaar niet, mag ze echter ontginnen zonder concessie. De ontdekker, hetzij dit de eigenaar van den grond of een ander is, moet, om het eigendomsrecht over die delfstoffen te erlangen en te kunnen uitoefenen, eene akte van concessie van de Regeering erlangen, eene akte, die uitgevaardigd wordt door het Hoofd van den Staat, na raadpleging van den Raad van State. Bij die akte wordt de door de Regeering gekozen concessionaris als eigenaar van de betreffende delfstofafzetting erkend en worden daarin de grenzen van het concessieveld aangegeven. Die akte van concessie verleent den concessionaris den vollen en vrijen eigendom van de in het concessieveld aanwezige delfstof en schept eenen nieuwen, van den grondeigendom afgescheiden, eeuwigdurenden mijneigendom. Deze mijneigendom behoort tot de onroerende zaken en kan vervreemd, verhuurd en verhypothekeerd worden; alleen mag het concessieveld niet zonder toestemming van de Regeering in onderdeelen worden gesplitst.

De Regeering heeft het recht den concessionaris te kiezen en de uitgestrektheid van het concessieveld vast testellen, maar wordt de concessie, om welke redenen dan ook, door de Regeering niet aan den ontdekker maar aan eenen ander verleend, dan heeft de ontdekker het recht om eene schadevergoeding te eischen, en wel eene dubbele, n.1. eene voor winstderving en eene voor gemaakte kosten (artt. 16 en 46) welke hem door den concessionaris zullen moeten worden uitbetaald. De Regeering stelt het bedrag van die schade-

Sluiten